Twee verhalen van de schrijver Coetzee als gids om meer inzicht te krijgen in thema's als discriminatie, groepsidentiteit en uitsluiting.

"De beschaafde wordt barbaars omdat hij denkt verhevener te zijn dan de ander en daarin rechtvaardiging vindt de ander te vernederen en te pijnigen."

Wachten op de barbaren

Tekst: André Platteel

 

Het contrast kan niet groter. Gingen de afgelopen maanden over insluiting en verstomming; de afgelopen weken ging het juist over uitsluiting en je stem laten horen. Over de grens tussen insluiting en uitsluiting, met twee boeken van Coetzee als gids.

 

Precies op de overgang tussen insluiting en uitsluiting las ik ‘IJzeren tijd’, een roman van Coetzee, waarin twee jochies het opnemen tegen Apartheid en door de politie vermoord worden. Toch draait het verhaal niet om de strijdende jongens. En ook niet om de strijd tussen zwart en wit.

 

Het verhaal gaat over Elizabeth Curren, die een al gestreden strijd met haar ziekte afwacht en een lange brief aan haar dochter schrijft die jaren geleden van Zuid-Afrika naar Amerika is geëmigreerd. Elizabeth schrijft niet moederlijk, er zit een verwijtende ondertoon in haar brief. Met het vertrek van haar dochter is ze het meest waardevolle verloren. Ze voelt zich in de steek gelaten, alleen achtergebleven in een land dat ze haat voor zijn wreedheden. Elizabeth is angstig dat er een ijzeren tijd aanbreekt waarin mensen zich alleen nog maar bekommeren om zichzelf, geen oog voor het leed van anderen.

 

Als ze een zwerver aantreft op haar land, besluit ze de verwaarloosde man in huis te nemen. Dat is zeer tegen de wil van Florence, een zwarte vrouw die Elizabeth in het huishouden helpt. Maar Elizabeth irriteert zich eerder aan het gedrag van Florence’s zoon die ook nog eens zijn vriendje meeneemt als Florence het huishouden doet. Ze vindt dat de jochies ‘een verkilde blik’ hebben en wil hen het huis uit hebben. Even bekruipt me bij het lezen het gevoel dat Elizabeth racistisch is, daarvoor gevoelig geworden door de recente discussies. Maar Coetzee is er de schrijver niet naar om personages zwart-wit te schetsen. De personages in zijn boek zijn nooit eenduidig, altijd triviaal in hun gedrag. Iedereen in ‘IJzeren tijd’ is veroordelend en vernederend, van wit naar zwart of andersom, mensen van hetzelfde ras onder elkaar, van huishouder naar zwerver, van moeder naar dochter, van volwassen vrouw naar kind.

 

 

Coetzee als jonge man. 

 

Het wordt Coetzee vaak verweten dat hij geen heroïsche figuren opvoert in zijn boeken die met het morele gelijk aan hun zijde ten strijde trekken tegen racisme. Maar met zo’n vertelwijze zou Coetzee naar zijn gevoel zo’n belangrijk thema dan juist exploiteren. Hij wil dieper graven: erachter komen waarom mensen soms blind zijn voor moreel onrecht, waarom mensen pas in actie komen als het geweld hun huiskamer binnenstormt. Niet dat hij daar een oordeel over heeft, hij wil de menselijke dynamieken die daaraan ten grondslag liggen beter begrijpen zodat er een gesprek kan ontstaan dat langer duurt dan een ‘opstand’ met de aandachtspanne van (sociale)media.

 

Ook Elizabeth’s mening over de jochies verandert wanneer ze geconfronteerd wordt met geweld. Het vriendje wordt voor haar neus door de politie vermoord. Elizabeth gaat met Florence op zoek naar zijn familie, komt in de krottenwijken terecht, maakt een reis naar de zere onderbuik van Zuid-Afrika. Het voelt als een epische tocht uit een klassieke mythe, waarin je een wereld aantreft die je niet kent en door haar te leren kennen verbijsterd, verangstigd, woedend en vervolgens gelouterd raakt. Elizabeth begrijpt nu pas hoe haar witte privileges haar blind hebben gemaakt voor het leed van anderen. Ze was zelf van ijzer. Al die tijd dat Florence bij haar heeft gewerkt, had Elizabeth geen enkel idee van haar omstandigheden.

 

Wat Coetzee de lezer laat ervaren, is dat iemand werk geven of naast iemand staan, voor of tegen iets zijn, niet voldoende is om iets wezenlijks te veranderen. Om je gedrag en je daadkracht te veranderen moet je je in iemand inleven en vanuit die doorleving mee kunnen voelen. En zelfs dat lijkt Coetzee nog niet voldoende. Elizabeth staat nog een omwenteling te wachten.

 

‘Iemand werk geven of naast iemand staan, voor of tegen iets zijn, is niet voldoende om iets wezenlijks te veranderen.’

 

Na de moord op de jongen gaat de politie op zoek naar Florence’s zoon. Ze komen al snel uit bij Elizabeth waar de jongen zich schuilhoudt. Als de politie binnenvalt kiest Elizabeth partij voor de jongen en ze weet dat ze daarmee alles wat ze heeft opgebouwd op spel zet. De politie stormt naar binnen, zegt haar te willen beschermen tegen ‘terroristen’. Ze tiert en schreeuwt, probeert de politie tegen te houden, maar kan niet voorkomen dat ook die jongen door de politie vermoord wordt. Dan vlucht ze haar huis uit. Niet alleen om weg te komen van de politie, maar ook om weg te vluchten van haar eigen geschiedenis. Ze beseft dat ze een product is van een cultuur die racisme voortbrengt. Met haar vlucht weg van haar huis en haar bezettingen, vecht ze niet alleen tegen racisme, maar voert ze bovenal strijd met haar eigen aandeel in dat onrecht – haar schuldgevoel. Een strijd overigens die Coetzee zelf zijn leven lang heeft gevoerd: ben ik als blanke Zuid-Afrikaner, omdat ik geboren ben in die racistische cultuur, die voortgebracht is door mijn grootouders en ouders, ook schuldig aan het leed van de zwarte bevolking?

 

Aan het eind van het verhaal is het niet de zwerver die onderdak vindt bij Elizabeth, maar zij die onderdak vindt bij de zwerver, onder een brug, de koude nacht bevechtend door dicht tegen zijn vervuilde lijf aan te liggen. Daar onder die brug, in halfslaap komen plots twee zwarte jochies bij haar staan. Even denkt ze dat het de geesten van de twee vermoorde jongens zijn. Maar het zijn rovers die proberen de gouden tanden uit haar mond te stelen. Als ze samen met de zwerver terugkeert naar haar huis, is daar flink huisgehouden. De zwerver helpt Elizabeth de boel weer op orde te brengen. En hij helpt haar haar naderende einde te accepteren en verzachten. In de gesprekken die ze voeren leert Elizabeth de zwerver kennen, zijn achtergrond, waarom hij geworden is wie hij is geworden. Elizabeth ontvangt troost, hulp, maar bovenal aanwezigheid. Geen grote thema’s, geen activistische strijd tegen racisme op de laatste pagina’s van ‘IJzeren tijd’ – maar twee mensen die elkaar leren kennen, leren liefhebben – aanwezig zijn in elkaars leven. Als lezer weet ik niet eens of de zwerver wit of zwart is. Het doet er in dit verhaal niet toe.

 

‘Met het scherp stellen van je moraliteit, zou het het decorum van je bestaan wel eens aan duigen kunnen vallen.’

 

Coetzee kiest er opzettelijk voor weg te blijven van een activistische, strijdende heldenfiguur. Hij laat zien dat met het opkomen voor een ander, en met het scherp stellen van je moraliteit, het decorum van je bestaan wel eens aan duigen zou kunnen vallen. Ook al ben je bereid die prijs te betalen, dan nog zouden er wel eens verlangens onder kunnen liggen anders dan louter compassie met de onderdrukten. Bij Elizabeth draait het ook om het verdrijven van haar eenzaamheid. Dat thema – dat compassie veelal ook een eigenbelang dient – werkt Coetzee pijnlijk prachtig uit in zijn boek ‘Wachten op de barbaren’, waarvoor hij de Man Booker Prize ontving. En ook in dat boek zit een louterende tocht, waarin de hoofdpersoon alles wat hem lief was, verliest maar tegelijkertijd ook verrijkt wordt.

 

Het verhaal gaat over een burgemeester in een woestijnstadje die ineens te maken krijgt met het leger die hem vertelt te hulp te schieten tegen barbaren die zich even buiten de stad zouden ophouden. De burgemeester is verbaasd: de barbaren zijn niet gewelddadig. Het zijn vissers en nomaden die niemand ooit iets hebben aangedaan. Maar de legerleiding is van de aanstaande agressie overtuigd en trekt ondanks kritiek van de burgemeester erop uit om even later met een aantal gevangengenomen barbaren terug te keren, die ze martelen om informatie over hun strijdplan los te krijgen. De vernederingen en martelingen zijn door Coetzee gedetailleerd beschreven. De lijfelijke en geestelijke pijn krast met elk woord dieper in. Een jong meisje wordt uit het publiek gehaald om een van de barbaren te mogen pijnigen. De stadsgenoten kijken genoeglijk toe, joelen en juichen alsof het vertier is.

 

Gebrainwasht door de manipulatieve retoriek van de legerleiding, hebben ze het gevoel dat ze op het nippertje gered zijn van een barbaarse invasie en daarmee van hun ondergang. Pijnlijk actueel beschrijft Coetzee hoe leiders met een op angst gebaseerde retoriek de gehele psychologie verdraaien, en groepen mensen onder het mom van ‘het beschermen van een hard bevochten beschaving’ tot barbaarse daden aanzet.

 

Alleen de burgemeester lijkt in een gewetensconflict te raken: hij wil het opnemen voor de barbaren maar als hij dat doet, zal de legerleiding hem straffen. Als hij verliefd wordt op een blind gemarteld meisje met wie hij in het geniep een erotische relatie begint, is zijn keuze al min of meer gemaakt. Hij geeft het meisje in het geheim onderdak, bescherming en bezorgt haar werk in de keuken. In ruil daarvoor verblijft het meisje ’s-avonds bij hem. Hij overtuigt zichzelf dat het meisje vast ook verliefd op hem is. Bij het lezen van die passages bekruipt me een woede: het onderdrukte meisje te hulp schieten maar haar gelijktijdig misbruiken, is dat niet nog barbaarser dan de acties van de legerleiding, omdat die vorm van manipulatie subtieler en daardoor nog schrijnender is?

 

‘Bij Coetzee geen krijger of held. Hij wil de complexe realiteit niet exploiteren.’

 

De burgemeester kan zijn hypocrisie niet lang volhouden. Beladen met schuldgevoel trekt hij erop uit om het meisje terug te brengen naar haar volk, een barre tocht die bijna zijn dood wordt. Bij terugkeer wordt hij door het leger beschuldigd van verraad. Nu wordt hij zelf behandeld als barbaar, gemarteld en vernederd op het marktplein, ten overstaan van de mensen die hij lang diende, maar door wie hij nu wordt uitgelachen en bespot. De burgemeester verliest zijn waardigheid en blijkt een angstig man; naakt struint hij door de straten op zoek naar mensen die hem een aalmoes gunnen. Net als in ‘IJzeren tijd’ verlang ik naar een heldhaftige hoofdpersoon, maar Coetzee vergrijpt zich niet aan dat cliché: geen krijger of held. Geen archetype die buiten de realiteit staat, maar een mens met schuld en schaamte, en angst, die uit overlevingsdrang eerst vernederd heeft en nu vernederd wordt.

 

Ook nu verandert de situatie na een gewelddadig incident. Een groepje soldaten keert gehavend terug van een missie, een dam wordt gesaboteerd, en een meisje verkracht. De schrik slaat eenieder om het hart; dit moet het werk van de barbaren zijn. De legerleiding slaat op de vlucht, ze laten de stadbewoners aan hun lot over. Het duurt niet lang of de bespotte, dwalende dorpsgek wordt weer burgemeester. Zijn enige angst nu, is dat de barbaren op een dag voor de poorten van de stad zullen staan. Niet dat hij hun agressie of wraak vreest; hij vreest dat de barbaren op een dag willen worden als zijn volk, zichzelf gaan beschouwen als beschaafden, en dan werkelijk barbaars zullen worden.

 

Die angst doet me denken aan het werk van de Hongaarse filosoof Tzevetan Todorov die ongetwijfeld geïnspireerd is geweest door Coetzee toen hij ‘Angst voor de barbaren’ schreef, een titel die lijkt op die van Coetzee. De Hongaar schetst hoe door de eeuwen heen volken die denken beschaafder te zijn dan anderen, barbaars worden. Het is volgens Todorov een misvatting te denken dat migrerende of nomadische volkeren zich niet zouden willen aanpassen aan de cultuur en gebruiken van een ander volk. Doordat ze vernederd worden ontstaat polarisatie en geweld. De ‘beschaafde’ zal uit angst dat zijn privileges worden afgenomen de ‘vreemde ander’ tot barbaar bestempelen en hem bij voorbaat willen uitschakelen, ook al is er geen enkele dreiging, precies zoals Coetzee in ‘Wachten op de barbaren’ schetst.

 

‘De beschaafde wordt barbaars omdat hij denkt verhevener te zijn dan de ander en daarin rechtvaardiging vindt de ander te vernederen.’

 

Het is moeilijk om Coetzee’s werk van een conclusie te voorzien en daarin ligt direct de schoonheid: de ambiguïteit van zijn personages, de maar al te menselijke kronkelingen om je veilig te voelen en te bewapenen tegen anderen als je denkt bedreigd te worden, ook al spelen die bedreigingen zich alleen maar in jouw (gemanipuleerde) gedachten af. Toch wil ik een conclusie trekken, ik verlang naar rechtvaardigheid, ik wil krijgers en daders. Kortom, naar een discours die zich altijd lijkt te voltrekken naar polariteit: goed/fout, dader/slachtoffer – een zwart/witte werkelijkheid met duidelijke grenzen. Ik wil eigenlijk een persiflage van de realiteit… Coetzee geeft me iets dat me veel meer waard is: compassie met menselijke tekortkomingen, de herkenning van mijn eigen angsten en het daaraan gekoppelde gekronkel waardoor ik mensen verneder en pijn doe. Inzichten die me meer brengen dan een versimpelde werkelijkheid.

 

Ook de burgemeester overdenkt zijn daden aan het einde van ‘Wachten op de barbaren’. Hij is verward door alles wat er gebeurd is. Wat hem overkomen is moet nog neerdalen, net als de sneeuw die op de laatste pagina’s van het boek valt. In de allerlaatste alinea loopt de burgemeester naar een stel kinderen die een sneeuwpop maken. Hij voelt een onverklaarbare vreugde als de kinderen de ijzige pop een neus, een mond en ogen geven.

 

In ‘Wachten op de barbaren’ lees ik ook het spanningsveld van een groepsidentiteit. Om ons veilig te voelen willen we graag bij een groep horen: een land, een subcultuur, een beweging. Maar een groepsidentiteit wordt vrijwel altijd gevormd door het negatieve, door je af te zetten tegen een andere groep. Als daarin het gevoel zit (moreel) juister of beter te zijn dan de ander, heb je de brandstof voor vernedering, discriminatie en racisme. Ik herken dit in sommige politieke leiders die een taal gebruiken om hun achterban het gevoel te geven dat ze beter zijn door anderen. In die taal zit de dodelijke nekklem al opgesloten.

 

Een respectvolle omgang met de (vreemde) ander, begint bij het erkennen en transformeren van de donkerte die zich in onszelf schuilhoudt. Voor mij staat de ‘mythische tocht’ daarvoor symbool die zowel Elizabeth als de burgemeester maken. Die tocht maken ze niet alleen: Elizabeth heeft Florence en de zwerver, de burgemeester het meisje. Door de dialoog die ze met elkaar aangaan ontstaat inleving, compassie en begrip. Na hun tocht komen de hoofdpersonen gelouterd terug, ook al kost het hen alles waarin ze ooit houvast vonden. Vanaf dat moment is de ander meer nabij dan zij zichzelf ooit nabij waren. Het is precies die nabijheid die voorkomt dat de ander ooit nog als barbaar beschouwd kan worden.

 

//

 

Op 25 en 26 juli is er weer een nieuwe Your Lab met deelnemers met de meest uiteenlopende achtergronden. Alles draait om afstemmen, met jezelf, anderen en de wereld. Die afstemming is nog nooit zo urgent geweest. Click voor meer info.

 

//

 

Verder inspiratie:

 

IJzertijd en Wachten op de barbaren van Coetzee en Angst voor de barbaren van Tzevetan Todorov.

 

Voor diegene die literatuur interessant vinden, zie ook overeenkomst van ‘Wachten op de barbaren’ met ‘Wachten of Godot’ (van Samuel Beckett) over twee figuren die op iemand wachten die nooit komt, waarschijnlijk niet eens bestaat. En Coetzee was tijdens het schrijven van ‘Wachten op de barbaren’ geïnspireerd door ‘Woestijn van de Tartaren’ van de Italiaanse schrijver Buzzati, een prachtig boek ook.

 

Wie mijn eerdere essay heeft gelezen over hip hop check dit nummer van Main Source, Just a friendly game of basketball,  

 

Deel dit artikel: