Interview

Dirk de Wachter trad onlangs toe tot de Raad van Advies van Your Lab. Robin reisde af naar Antwerpen om hem te interviewen: Als ik het huis binnenstap van Dirk de Wachter verwacht ik een strakke, of vooral een onpersoonlijke plek. Ik heb het beeld van een psychiater als iemand die een kijkje neemt in jouw binnenwereld, maar die zijn eigen wereld zorgvuldig afgeschermd houdt, dat idee moet ik direct loslaten. Ik word binnengelaten in de wunderkammer van een creatieve geest. De Wachter gaat mij vóór de trap af naar het souterrain, het kamertje in waar hij zijn patiënten dagelijks spreekt. Daar krijg ik koffie in een gouden kopje en neem ik plaats in een fauteuil met panterprint. Ik word van alle kanten aangestaard door peinzende koppen in lijsten, geschilderd, getekend en in de vorm van afgietsels, als stille getuigen van de gesprekken die op deze vierkante meters plaatsvinden.

Over Levenskunst

Tekst & foto’s: Robin v/d Maagdenberg

De Vlaamse psychiater is in België uitgegroeid tot een ster en heeft ook in Nederland grote bekendheid – tot verbazing van ‘deze kleine psychiater’ (zijn eigen woorden). Al is hij kritisch op Nederland waar nog meer dan in Vlaanderen een cultuur heerst waar alles vooral maar heel erg leuk moet zijn. ‘Alsof elke dag gevierd moet worden als een voetbaloverwinning, met overal oranje.’ Hij zegt het gekscherend, maar ik hoor de serieuze ondertoon.

 

Ondanks dat dankt hij een deel van zijn levensloop aan een stukje Nederlandse cultuur. Het boek De avonden van Gerard Reve las hij op zijn vijftiende in één nacht uit. Het idee dat ook anderen rare gedachten hadden en dat die ook nog eens opgeschreven konden worden, vond hij fascinerend. Het waren de gedachten van een mens, en die zouden zijn verdere leven bepalen.

 

Ook omdat al het andere niet lukte. Hij wilde voetballer worden, maar kon niet voetballen. Als muzikant had hij geen talent. En zijn droom om kunstenaar te worden viel in duigen toen een tekenleraar ooit zei: ‘U moet eens ophouden met mooi te tekenen. Kunst en mooi tekenen zijn twee verschillende dingen.’ Zijn geluk was dat hij een liefhebbende moeder had die zei: ‘Het geeft niets jongen, als ge niets kunt, ga dan maar gewoon studeren.’ Hij koos de studie waarbij waarover hij het langst kon doen: voor psychiater. ‘Ik ben eigenlijk nog maar net afgestudeerd.’

‘In dialoog met een ander gaan we zoeken naar verbindingen en in die verbinding proberen we – met daarin ongetwijfeld tekorten en nooit sluitend – mogelijkheden te vinden om te leven.’

Als ik het woord levenskunstenaar noem, glinsteren zijn ogen even maar hij wuift het woord snel weg, alsof hem een te grote eer wordt toegeschoven. Een levenskunstenaar die het advies van zijn tekenleraar lijkt toe te passen als psychiater. Hij pleit namelijk in zijn spreekkamer en in zijn boeken, voor het toelaten van een beetje meer ongelukkigheid. Het leven en het verlangen naar geluksmomenten lijken voor hem twee verschillende dingen. ‘Ook onze eigen vreselijkheid moeten we onder ogen komen, willen we het leven in al haar volheid binnen laten komen.’ Dat mooie plaatje mag dan zo aantrekkelijk lijken, het haalt het volgens De Wachter nooit bij de diepte van het echte leven.

 

Aan de moederskant van zijn familie waren er veel katholieke priesters in de stamboom. Geen haar op zijn hoofd die eraan dacht die traditie voort te zetten, ook omdat het geloof in zijn jeugd al voor een groot deel verdampt was. Toch zijn bepaalde waarden van zijn ooms meegegeven. Zoals betrokkenheid bij de medemens, de zorg, alles wat hij doet deden zij in hun tijd, weliswaar vanuit een ander perspectief, maar vanuit dezelfde naastenliefde.

 

Voor De Wachter staat de gedachte dat alles verbinding is centraal in zijn therapie en wereldbeeld. Interactie tussen mensen ziet hij als de bouwsteen van onze menselijkheid. Waar tegenwoordig veel mensen denken zichzelf te kunnen vinden door grondig te zoeken naar en in zichzelf, is hij ervan overtuigd dat we het daar niet moeten zoeken. Individuele problemen worden door hem altijd geplaatst in de bredere context van een grotere wereld. ‘In dialoog met een ander gaan we zoeken naar verbindingen en in die verbinding proberen we – met daarin ongetwijfeld tekorten en nooit sluitend – mogelijkheden te vinden om te leven.’

 

Als een van de weinige psychiaters met een academische carrière behandelt hij nog heel regelmatig patiënten, die hij zo onbevangen en onbevooroordeeld mogelijk probeert te ontvangen, ondanks het enorme dossier met diagnoses dat hij vooraf vaak heeft ontvangen. ‘Als iemand binnenkomt dan wil ik altijd weten: Wie zijt u? Sommige mensen zijn heel auto-stigmatiserend en stellen zichzelf gelijk aan hun diagnose. Dat kader is vaak onze identiteit geworden. Als iemand klem zit in dat verhaal, probeer ik dat meteen te verlaten, door in te laten zien dat er altijd een groter verhaal is, waar we ook onderdeel van zijn.’

 

‘Ik hoop dat die open blik mij ook in het gewone leven gedienstig is. Onbevangen kijken betekent niet dat ik niet scherp en kritisch observeer. Ik probeer de werkelijkheid te analyseren, aandachtig, intens en bewust. Dan kun je niet ontkennen dat er veel misloopt in de wereld, maar er is ook veel mooi, dat zie ik wel. Zoals ik naar mijn patiënten kijk, kijk ik ook naar de wereld.’

 

Mensen die bij De Wachter in de panterstoel plaatsnemen, komen daar om allerlei redenen. Vaak is er een gevoel dat er iets niet functioneert zoals het normaal zou moeten (‘normaal zijn bestaat ook alleen binnen de context van de wereld waarin we ons begeven’), dat er iets gerepareerd moet worden. Als ik hem vraag hoe in zijn behandeling een proces van heling plaatsvindt – ‘heling… wat een mooi woord, herstel noemen ze dat in de psychiatrie’ – antwoordt hij dat heling altijd plaatsvindt in de blik van de ander, nooit in isolement. ‘Het vindt zowel plaats in de mens, als tussen de mensen. Individualiteit en interactie zijn altijd circulair met elkaar verbonden. Ook lichaam en geest zijn dat, in tegenstelling tot wat de man met veel succes in Nederland (RvdM: Dick Swaab) zegt. We zijn natuurlijk voor een deel ons brein, maar dat brein is maar een instrument van de interactie. Wij zijn ook lijven. Interacties voelen wij ook lijfelijk. De misère van die interacties toont zich ook vaak lijfelijk, in verkrampingen of soms zelfs verlammingsverschijnselen. Onlangs zag ik een vrouw die was verlaten door haar geliefde, ze kon niet meer rechtop zitten in haar zetel. Dan zegt men, dat zit tussen haar oren. Nee, het zit in haar lijf.’

 

Op mijn vraag wat hem het meest boeit aan de psychiatrie zegt hij dat dat het ongrijpbare gebied, tussen lichaam en geest, tussen individu en interactie is. ‘Psychiatrie valt er precies tussen. Dat maakt het voor sommige mensen heel ongrijpbaar. Is het nu brein of relatie? Is het objectief of subjectief? Het is dat alles. Dat maakt het ook complex. Het gaat over het niet-weten. Mensen willen vaak weten: Hoe komt het? Dan moet ik zeggen: Ik weet het niet. Maar niet op een cynische manier. Ik vind het geen gezever, ik ben benieuwd, vertel het mij. Door samen te spreken, kunnen we het misschien toch naderen. En zonder het helemaal te kunnen vatten, kunnen we misschien het leed met woorden omzwachtelen. Maar het leed zit ergens in het lijf, zeker en vast.’

 

In zijn boeken pleit hij voor het toestaan van allerlei gevoelens die we als negatief zijn gaan beschouwen, zoals eenzaamheid en bedroefdheid, in een maatschappij waarin het veelal draait om de tegenhangers van deze emoties: geluk en euforie. Maar dat klinkt makkelijker dan het lijkt. Ik plaats mezelf even in de stoel van de patiënt en vertel De Wachter dat er een periode was waarin ikzelf een drukkend verdriet ergens onder de oppervlakte in mezelf voelde rondspoken, maar dat het me niet lukte dat op te diepen. Niet het voelen van verdriet, maar het gevoel dat het ergens onderdrukt werd en ik er met geen mogelijkheid bij kon, dat zorgde voor een gevoel van depressie. Ik vraag De Wachter hoe hij daar tegenaan kijkt. ‘Metaforisch gezien zou je depressie kunnen zien als ingeslikt verdriet, een blokkade van emoties. Het niet kunnen wenen, eigenlijk. De definitie van een depressie is voor mij niet zo belangrijk. Ik zou u vragen: Wat vindt u? Wat heeft u meegemaakt? Hoe is dat? De enige die het kan weten bent u, dus vertel over uw verdriet. De uiting is bij iedereen anders, maar het is toch vaak wel een heel groot verdriet. Gemaskeerd, achter een muur van niet-voelen.’

 

De vraag ‘wie ben ik’ is van alle tijden, maar tegenwoordig proberen we die vraag volgens De Wachter vaak als consumenten te beantwoorden. We zíjn de materie die we hebben verzameld en we zíjn ons succes. Daar klampen we ons aan vast, alsof het een duur sieraad is dat ieder moment gestolen kan worden. Daarmee leggen we ons bestaansrecht in handen van iets buiten onszelf en is er continu de angst dat we onze eigen-’waarde’ kunnen verliezen. We durven niet meer kritisch na te denken en ons op een diepere manier met elkaar te verbinden, we houden het liever gemakkelijk en leuk, dan komt het plaatje niet in gevaar.

 

Het gevaar van dat gebrek aan kritische reflectie op onszelf en op het leven dat we voor ogen hebben is volgens De Wachter dat we leiders kiezen, maar ook therapeuten of coaches, die zeggen: ‘Ik weet het, u hoeft niet na te denken, ik denk voor u. Heel neerbuigend.’ De Wachter staat op, buigt voorover en doet alsof hij een mini-mens over de bol aait. ‘We doen zo: Och arme toch, ach manneke. Ge kunt het niet hè. Geef mij uw handje en dan zal ik u voorgaan.’ Hij noemt het het infantiliseren van de ander. Wat in eerste instantie lijkt op helpen, blijkt op den duur koloniserend. ‘Zo leren mensen niet zichzelf te helpen. Dat is letterlijk wat we gedaan hebben in de kolonies. De kolonies zijn machteloos gemaakt door onze neerbuigende houding. En dat is wat is leiders nu met hun volk en wat therapeuten met hun patiënten proberen te doen.

 

Ik begrijp de behoefte aan houvast, maar ik zou die eerder zoeken bij mensen die je niet vertellen wat je moet doen maar die zeggen: denk zelf eens na. Hoe moet een ander nou weten hoe jij moet leven? Je weet het zelf.’ Hij pleit dan ook voor een fundamenteel bescheiden positie van de psychiater. Iemand die zegt: ‘Ik weet het niet, ik wil u helpen zoeken, maar u gaat het vinden. Een goede therapeut probeert uit de positie van de Goeroe te blijven.’ Het is volgens De Wachter niet het paradijs dat op ons wacht aan het einde van de zoektocht, maar het gewone aardse leven. En dat zal altijd een beetje lastig zijn.

De ware helden zijn de mensen die niet in de kijker lopen en die geen bewondering oogsten, zo onmerkbaar mogelijk.

In een tijd waarin we mensen op een voetstuk plaatsen op basis van hun uiterlijk, rijkdom, succes, maar niet omdat ze intrinsiek iets waardevols toevoegen aan het leven van een ander, hebben we volgens De Wachter behoefte aan nieuwe helden. ‘De ware helden zijn de mensen die niet in de kijker lopen en die geen bewondering oogsten. – Nu ben ik echt aan het prediken, u verleidt mij tot prediken. – Zo onmerkbaar mogelijk, want als het kleine goede wordt geafficheerd langs de autosnelweg in flitsende reclames, wordt het gevaarlijk en betekenisloos. Dat is ook mijn lot, als ik hier aan het orakelen ben met u. De kleine dingen die ik met mijn patiënten kan bereiken, zijn veel belangrijker. Maar ik word toch vaak opgevoerd in de media als de man die het weet, en die vervolgens zegt: ik weet het niet. Ik ben ijdel genoeg om ook voldoening te halen uit het feit dat mensen mijn uitspraken niet belachelijk vinden. Maar mijn praat moet niet als Holy Grail worden gezien. Dat blijft een spanningsveld.’

 

We komen weer terug op de vijftienjarige De Wachter. Een leeftijd waarop de wereld ineens erg bij hem binnen kwam. En waar de fascinatie ontstond voor de gedachten van de ander, maar ook zijn interesse in de anti-held. ‘Ik was erg naïef, woonde in een klein dorp en toen zag ik op televisie de film McCabe and Mrs Miller van Robert Altman. Over een cowboy die eenzaam en alleen op een paard door het winterlandschap gaat. Voor het eerst in mijn leven hoorde ik muziek die mij tot de dag van vandaag het meest na aan het hart ligt, van Leonard Cohen. Die film begint met de Stranger song. De Wachter declameert:

 

‘I told you when I came I was a stranger.

 

Met dat paard gaat de cowboy door het winterse landschap. Sneeuw, sneeuw, sneeuw, niets behalve sneeuw en dat paard.

 

But now another stranger seems
To want you to ignore his dreams
As though they were the burden of some other
O you’ve seen that man before
His golden arm dispatching cards, enzovoorts.

 

Ik wist niet wat ik hoorde en zag. De kleine worstelende mens die probeert te zijn, in waarachtigheid en authenticiteit. Dat is niet hetzelfde als origineel of tof zijn, dat is helemaal niet hetzelfde. Authenticiteit gaat over het echte leven, ook als dat een beetje ongelukkig is. De wezenlijkheid zit in de kleinheid, het verdriet, de minder fraaie kanten die we ook mogen zien. Het is strompelen en niet weten en toch niet opgeven, blijven proberen, soms jarenlang. Dat is al iets. Dan kunnen we proberen er iets aan te doen. Een klein beetje.’

Deel dit artikel: