Op de menukaart staat: Raising New Yorks Cholesterol since 1929. Eisenbergs Sandwich Shop is een New Yorkse diner die al bijna een eeuw bestaat. Ik heb hier afgesproken met straatfotograaf Gus Powell. Binnen staan de koks in een rij achter de bar burgers te flippen, spek af te bakken en broodjes te bedekken. Het opgespatte vet van het eten, vermengd met zweet ligt glimmend op hun voorhoofd door de hitte van de grills. Dit is een van de weinige overgebleven authentieke New Yorkse zaken, zegt Powell als hij binnenkomt en nauwelijks zijn lange benen onder de tafel een plaats kan geven. Hij is er twee keer ziek geworden, maar dat weerhoudt hem er niet van terug te blijven komen. Een opvallend lange man, onopvallend gekleed in een zandkleurige broek en spijkerblouse, een outfit die zoals hij later zal uitleggen onderdeel is van zijn stadsvermomming. Hij bestelt een soep met Matze ballen, zijn favoriete Joodse comfortfood, en eet er nauwelijks van omdat hij veel en snel praat. Ik bestel een omelet met groente. Hij vraagt bezorgd of ik vegetarisch ben, omdat we dan op de verkeerde plek zijn, in deze zaak eet je iets vets en vlezigs.

Just cut out the catastrophe

Door: Robin van den Maagdenberg
Foto’s: Reed Young

New York is de afgelopen eeuw door vele straatfotografen in vele iconische beelden vastgelegd. Mensen over de hele wereld hebben het gevoel dat ze er hebben rondgelopen, al zijn ze nooit in de buurt geweest. Als geboren en getogen New Yorker begon Powell al op jonge leeftijd stukjes van de stad te verzamelen en mee te nemen naar huis. Als kind had hij een ladekast met drie lades. In de bovenste lade lag zijn kleding, in de middelste lade zijn petten en in de onderste lade bewaarde hij zijn vondsten. ‘Ik hield van geplette dingen.’ Een overreden handschoen van een timmerman, een platgelopen colablikje, het ging allemaal zijn laatje in. Zijn vinger diende als premature camera. ‘Door naar iets te wijzen leerde ik als kind al focus te leggen op beelden die ik aan mijn ouders wilde laten zien.’ Een eigen camera was slechts een extensie van dat idee.

Mijn moeder wilde mijn creativiteit en verzamelwoede stimuleren, maar tot op bepaalde hoogte. Toen de la dreigde te verzanden in een vuilnisbelt, leerde ze me dat je een verzameling moet cureren: De beste stuks bewaar je, de rest gooi je weg.

Geïnspireerd door de dichtbundel Lunch Poems van de poëet Frank O’Hara, die in zijn lunchpauzes korte gedichten schreef, maakte Powell gedurende de tien jaar dat hij als foto editor voor The New Yorker werkte, dagelijks foto’s op straat tijdens zijn lunchbreak. In het krappe uurtje liep hij een paar blokken omhoog of omlaag en richtte zijn lens op alles wat voorbijkwam, vaak niets in het bijzonder, een groepje mensen, een stuk kauwgom op straat geplakt, een gekreukt pakje sigaretten of een plastic tas kon genoeg zijn. Toch zijn zijn foto’s niet zozeer registraties van de dingen die hij tegenkwam. Meer nog zijn het pogingen om die losse elementen met elkaar te verbinden. Zelden is er één hoofdpersoon, vaker is het een combinatie van voetgangers, die bij elkaar worden betrokken zonder dat ze het zelf door hebben. De ruimte die hen met elkaar verbindt, is op zijn foto’s net zo belangrijk als de personen die de ruimte vluchtig doorkruisen. Hij ziet de negatieve ruimte als het bindweefsel, de aanhechting tussen alle losse elementen in de stad. ‘Deze stad kan een eenzame plek zijn, juist daarom zoek ik naar dat wat ons daarin verbindt. Al is er niet altijd direct contact tussen mensen, iedereen beweegt met elkaar, denkt met elkaar. Als je die onderstroom voelt, dan is New York jouw stad. Zo niet, dan ben je hier snel weer weg.’

 

‘Ik ben opgegroeid met het idee dat ik van steden houd, maar New York is zo specifiek. New York was Google voordat Google bestond. Van alles en iedereen wat je zocht bevond de top 10 zich in New York. Je kon ze gewoon vinden in het telefoonboek. De stad heeft altijd aan me getrokken. Mijn hele leven loop ik hier al rond met een camera om mijn nek en overal waar ik kom neem ik foto’s. Nooit met een specifieke reden. Alleen om de stroom te aanschouwen. Iedere keer als hij op reis is geweest – wat hij graag doet – terugkomt en in een taxi vanaf het vliegveld de stad dichter en dichter nadert, komt die onrustige liefde voor de stad terug. Dat wat zich zo lastig laat beschrijven is wel te voelen via zijn foto’s, daarom besluiten we de straat op te gaan om de stad door Powells lens te bekijken.

Het is een koude maar zonnige dag. Zoals surfers massaal naar het strand gaan op een dag met de juiste windkracht, wachten straatfotografen volgens Powell op een dag als deze om een plaatje te schieten onder de perfecte lichtomstandigheden. We lopen vanaf Eisenbergs Sandwich Shop een paar blokken omhoog. Zonder haast steken we de straat over, maar dan stopt hij middenin een zin. Hij heeft iets in zijn vizier. Ineens lijken zijn lange benen van elastiek. Straatfotograaf Joel Meyerowitz zei ooit in adoratie van collega Robert Frank dat het hem trof dat Frank zich met de gratie van een balletdanser over de straat bewoog. Ook bij Powell is de transformatie volledig als hij iets in het zicht krijgt dat hij zijn kader in wil trekken. Hij noemt zichzelf een atleet zonder bal. Hij duikt ineen, zigzagt tussen de mensen door, gaat heel dichtbij een Aziatisch meisje staan die naar de andere kant van de straat kijkt, torent dan boven haar uit om het beeld dat hij wil vangen precies in zijn lens te krijgen. Het meisje kijkt verdwaasd op, alsof ze net beroofd is van haar portemonnee en het een seconde te laat door heeft. Powell wijst naar haar tas met aankopen en vraagt of ze een bril gekocht heeft, ze lacht verstrooid en heeft geen idee dat ze voor altijd vastzit in een beeld met op de achtergrond een straatverkoper en een wulps geklede dame.
 
‘Wat ik vast wil leggen zijn kleine momenten van dagdromen. Ik ben op zoek naar mensen die op een specifieke manier aanwezig zijn in dat moment. Tegelijkertijd vraagt dat voortdurende aanwezigheid van mij als fotograaf. Als ik open sta, dient zich ieder moment nieuw materiaal aan.’ In de fotografie heb je een technische term: ISO, wat staat voor de gevoeligheid van de film.

‘In een stad als New York moet je eigen ISO, je eigen gevoeligheid zo groot mogelijk zijn. Hoe kun je op het minste voorbereid zijn en daar toch een intrigerend verhaal van maken?’

Zoals schilders schetsen voor ze aan een doek beginnen, schetst Powell met zijn camera. ‘Een foto wordt snel beoordeeld als goed of slecht. Geen ruimte voor iets daar tussenin. Maar soms valt het licht precies goed, heeft de achtergrond precies de goede rommeligheid of is de timing perfect, al wordt het geen geweldige foto. Dat noem ik schetsen, omdat je je oordeel nog even opschort, de uitkomst loslaat en je open kan stellen voor de omstandigheden waardoor je toch iets interessants het beeld in trekt, als voorbereiding op een foto waarin dat alles samenvalt.’
 
Als we Madison Square oplopen zien we een oude man voor een houten sculptuur staan, hij trekt zijn handschoen uit en betast het hout. Powell trekt net te laat zijn camera tevoorschijn. Het moment is alweer voorbij. Hij loopt toch op de man af, even denk ik dat hij hem wil vragen om het beeld nogmaals te aaien, maar Powell regisseert zijn onderwerpen nooit.
 
Waar de meeste fotograferen het licht en hun onderwerpen zelf controleren, is Powell overgeleverd aan de stemming van de stad. Hij is geobsedeerd door de vier hoeken van een foto, daarin ligt zijn grootste macht. Hij bepaalt waar het beeld begint en waar het eindigt. Op zijn foto’s gebeurt vaak schijnbaar niets, pas als je goed kijkt ontdek je een klein verhaal. Over een vrouw met een gebloemde paraplu en een bos bloemen achter haar rug, een mooi ritme van terugkerende elementen en het verklapt dat er iemand nabij is. Toch zullen we voor altijd moeten wachten of de ander op komt dagen. Of een gebogen man in regenjas die langs een raam loopt, waar een bosje plastic bloemen tussen de gordijnen door piept, de man wordt achtervolgd door de schaduw van een hangende lantaarnpaal, het is alsof zowel de man als de schaduw van de lantaarnpaal het hoofd treurig laten hangen.
 
Volgens Teju Cole, de fotografie-criticus van The New York Times, vraagt straatfotografie om twee kwaliteiten: geduld voor een onaangekondigd moment en het vermogen om op het juiste moment te klikken. Beiden kwaliteiten zet Powell naar zijn hand. Op tijd klikken is belangrijk, maar als hij iemand ziet die aan zijn rug krabt, en het kader nog niet perfect is, dan wacht hij. ‘Mensen herhalen zichzelf. De kriebel keert weer terug. Het moment zal zich nog eens voordoen.’ Hij lijkt niet te wachten tot een moment zich aan hem aandient, hij jaagt erop en daardoor vindt hij het. ‘Iedere dag dat ik besluit foto’s te maken, gebeurt er iets, altijd en overal. Ik voel me de auteur van alles wat zich in het frame bevindt.’

De hoek van 6th Avenue en 34th Street wordt gezien als het paradijs van de New Yorkse straatfotograaf. Het zonlicht valt precies tussen de wolkenkrabbers door en op het kruispunt gaan tegelijkertijd alle lichten op groen, waardoor de voetgangers gezamenlijk een vierkant vormen op het moment dat ze hun pas inzetten. Vier jonge straatfotografen spreken Powell aan, haastig, met de ogen op de straat gericht, om niets mis te lopen. Een vrouwelijke collega van Powell achtervolgt een dakloze man met haar camera. Ze blijft maar schieten. Het ironiseren of karakteriseren van mensen is bij uitstek iets voor de fotografie, denk aan foto’s van Diane Arbus, maar het is niet waar Powell op uit is.

‘Mijn beelden zijn gebaseerd op een humanistisch idee, dat we veel meer delen dan niet delen met elkaar.’

Powell observeert met een empathische blik.
 
De stad is veranderd, dat heeft Powell door zijn lens heen zien gebeuren, er komt steeds meer bij van hetzelfde en de stad is te duur geworden voor mensen die willen leven van creativiteit. Tien jaar geleden kon Powell geen hoek omslaan of er stond op de achtergrond een Duene Read store op de foto en anders liep er wel iemand met een tasje van de drogist in zijn hand. De vijanden binnen zijn kader zijn veranderd, nu zijn het ketens als Zara en H&M en de mobiele telefoon waar bijna niet aan te ontkomen valt. Powell haalt een quote aan van Jonathan Franzen, die opmerkte dat New York is veranderd van een Nicotine in een celluloid cultuur. Waar het op foto’s van straatfotografen uit de 20e eeuw zoals Winogrand, Friedlander en Arbus speuren is naar een beeld waarop geen roker voorkomt, zijn de sigaretten op Powells foto’s bijna helemaal verdwenen. De wissel van sigaret naar telefoon heeft onze houding en gebaren veranderd, zegt Powell. De wasem van rook, de naar de hemel gerichte blik van rokers, een uitstervend beeld. Een telefoon aan het oor, een naar binnen gekeerde houding, afwezig. Het nieuwe plaatje. Mensen als zombies. Maar wel alert en zelfbewust, omdat we ieder moment op de foto gezet kunnen worden. Is het niet door een telefoon, dan wel door een beveiligingscamera. ‘We zijn ons anders gaan verhouden tot ons ‘zelf’, dat we ineens van buitenaf kunnen bekijken. Daardoor worden mensen steeds zelfbewuster. Ik kan geen foto meer maken of er staat iemand op die het ziet gebeuren. En anders duikt er wel iemand op in het beeld die een foto maakt van een ander.’ Daarom kleedt hij zich vaak als een Nederlandse toerist. Hij is lang en goedlachs en daardoor geloven mensen bijna niet dat hij ze op de foto zet.

‘Als ze het wel doorhebben, doe ik alsof ik iets achter ze aan het fotograferen ben.’

Op een volgend kruispunt zien we drie jonge vrouwen in rode outfits en op hoge hakken doen alsof ze een stuk pizza eten. Ze worden door iemand gefotografeerd terwijl ze dezelfde handeling over en over moeten doen: heupwiegend lopen ze over het zebrapad terwijl ze zwaaien met de pizzapunt. Powell legt het tafereel vast. Een jongen op skateboard stopt en maakt een opname van Powell met zijn camera. Een voetganger neemt daar weer een foto van. Dan drukt Powell weer af. Iedereen reageert op elkaar met de klik van een camera. Als Powell het beeld op zijn schermpje laat zien, zie ik een tafereel waarop iedereen foto’s maakt van iedereen, alleen de hoofdpersonen zijn buiten beeld gehouden. ‘You just cut out the catastrophe.’

Deel dit artikel: