Robin van den Maagdenberg
ESSAY
We moeten ons trauma's blijven herinneren
Foto: Steef Fleur

Ik ben op bezoek bij schilder Ronald Ophuis, in zijn atelier in Amsterdam-West. Het eerste wat ik zie is het enorme doek tegen de achterste wand van zijn atelier, als een decor, waar je zo in lijkt te kunnen stappen. Op het doek drie mensen met geschminkte gezichten, ze grimassen en hebben uitgemergelde lijven. Ze zijn in een spel verwikkeld, maar het spelen gaat ze niet gemakkelijk af, het is alsof ze een loodzware last dragen. Wat er precies aan de hand is weet ik dan nog niet, maar dat de situatie beladen is voel ik wel.

Het zijn geen lichtvoetige taferelen die Ronald Ophuis schildert, concentratiekampen, miskramen, verkrachtingen en genocides en soms een combinatie daarvan, onderwerpen die je liever niet voor je ziet, zet hij met vette verfstreken op doek.

Het zijn opnames van kleine momenten die zich afspelen in een veel grotere ramp. Zo geeft Ophuis gezicht aan dingen die vaak te groot en te aanwezig zijn om ze nog te voelen.

Primo Levi schreef een aantal verhalen over zijn ervaring in een concentratiekamp tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen hij 24 was werd hij gedeporteerd naar Auschwitz. In een jaar tijd veranderde hij van iemand met een lenig lijf, een rusteloze geest, een familie en een naam, in iemand die dat allemaal kwijtraakt. Ondanks dat, of dankzij, bleef hij zich in het kamp richten op de menselijkheid, die daar nergens aan de modderige oppervlakte ligt, maar toch steeds op onverwachte plekken naar boven bubbelt. Hij blijft er zijn leven lang over schrijven, want wie het verleden vergeet is er volgens hem toe veroordeeld het steeds opnieuw te beleven.

Foto's: Steef Fleur

In het verhaal Het Respijt worden Duitse gevangenen in een Pools concentratiekamp bevrijdt. De bevrijding is bitterzoet, omdat het ze geen echte vrijheid verschaft, ze zijn niet meer welkom in hun thuisland. Bij gebrek aan alternatief, blijven ze achter in de leeggelopen kampen. Weliswaar zonder fysieke bewakers die lijfstraffen geven, maar met een lijf dat alles herinnert, en een hoofd dat wil vergeten, blijven ze zichzelf straffen (met dat wat ze niet kunnen vergeten). Ze voeren toneelstukken voor elkaar op, om de tijd te doden en te ontsnappen aan de herinnering. Dit tafereel, wat nooit op foto is vastgelegd, doemt voor mijn neus op.

Ophuis praat aarzelend, vertelt iets en trekt de woorden dan weer in omdat hij het toch anders wilde zeggen. Hij wil dat de samenleving collectieve trauma’s blijft voelen. Hij wil bewogen beschouwers creëren, zodat we onszelf blijven bevragen: Waarom laten we dit allemaal toch eigenlijk gebeuren? Waarom traumatiseren we de wereld? Ophuis: ‘Een interessant verwerkingsproces van pijn, is dat je terug kunt grijpen op beelden waar je je toe kunt verhouden. Als je het hebt over de Tweede Wereldoorlog, dat is geen beeld. Daarom geef ik de pijn een gezicht, zodat ook het verwerken kan beginnen.’

‘Mensen die iets ergs hebben meegemaakt schijnen te blijven schrijven in de tegenwoordige tijd, al heeft de gebeurtenis lang geleden plaatsgevonden. Alsof ze blijven steken in de shock. En er daardoor toe veroordeeld zijn om steeds dezelfde gebeurtenis te blijven herhalen. Alsof ze vastzitten in een schilderij, waarop de tijd in een eeuwigdurend moment is stilgezet.'

In de roman Austerlitz van W.G. Sebald volgen we het ontstaan van een vriendschap tussen de twee mannen, de naamloze verteller en meneer Austerlitz. Zonder dat het met zoveel woorden gezegd wordt, merk je dat meneer Austerlitz verschrikkelijke dingen heeft meegemaakt tijdens de Tweede Wereld Oorlog. De hoofdpersonen ontmoeten elkaar in een wachtruimte op het station van Antwerpen, een ruimte waarin mensen komen en gaan, maar waar meneer Austerlitz voor altijd blijft hangen. De tijd is voor hem als een ruimte waarin verschillende periodes over elkaar vallen.

Op een ochtend in maart, weer een grijze dag in een reeks van grijze dagen, bel ik mijn vader op en kondig aan dat ik langs kom. Eenmaal bij hem thuis ga ik zitten op de oude leren bank, die hij ooit heeft gekregen van zijn zus, en die precies over de kruising waar drie vloerkleden met verschillende dessins elkaar raakten, geplaatst is. Als hij een kleed aangeboden krijgt kan hij daar geen nee tegen zeggen, en zo stapelen ze langzaam op. Naast de bank een houten tafel, met handgesneden motieven, gekregen van een buurman die in een pipowagen leefde en plots met de Noorderzon vertrok, waar nooit meer iets van vernomen is. Er ligt een oude pet, die al zeker tien jaar niet is aangeraakt, geweest van een vriend die prachtig kon schilderen maar het leven in nuchtere toestand maar saai vond en een jonge tragische dood stierf. Een houten kast, met dubbele deurtjes, als je de eerste deurtjes opent kijk je via twee raampjes naar de stoffige inhoud van de kast, waar een leren rammelaar ligt, uit de tijd dat mijn vader in een band speelde, en een servies waarvan geen enkel stuk bij elkaar past, maar waar ook ieder kopje zijn eigen verhaal zal hebben. De kast was van zijn vader, een bomendokter, die ik helaas nooit heb gekend.

Het huis is een collage van dingen die niet bij elkaar passen maar die het geheugenverlies tegengaan. Er staan torso’s van vrouwenlichamen, zonder hoofd, zonder armen, zonder benen. Voor iedere vrouw die kwam en ook weer ging staat er een onafgemaakt beeld. Mijn moeder kan ik er zo snel niet tussen vinden, maar ook zij verstopt zich ergens in de ruimte. In dit huis is het verleden nergens afgesloten en gaat het stapelen maar door om het vergeten te dwarsbomen.

NIEUWSBRIEF
MEER INSPIRATIE