André Platteel
ESSAY
Voorbij held, dader, slachtoffer
Foto van Coetzee, beeld van Hollandse Hoogte

De schrijver Coetzee wordt vaak verweten dat hij geen partij kiest in zijn verhalen. Maar Coetzee wil geen helden, daders en slachtoffers in zijn verhalen. Hij wil eerder laten zien dat we al die rollen in onszelf meedragen en dat de omgeving waarin we verkeren onze rol ineens drastisch kan laten veranderen. Als we daar compassie voor hebben, maakt het onderscheid tussen held en dader plaats voor een ander, meer genuanceerde realiteit.

Ik las onlangs Coetzee's Wachten op de barbaren, dat wordt gezien als een van zijn beste boeken. Het verhaal gaat over een burgemeester in een woestijnstadje die ineens te maken krijgt met het leger die hem vertelt te hulp te schieten tegen barbaren die zich even buiten de stad zouden ophouden. De burgemeester is verbaasd: de barbaren zijn niet gewelddadig. Het zijn vissers en nomaden die niemand ooit iets hebben aangedaan. Maar de legerleiding is van de aanstaande agressie overtuigd en trekt ondanks kritiek van de burgemeester erop uit om even later met een aantal gevangengenomen barbaren terug te keren, die ze martelen om informatie over hun strijdplan los te krijgen. De vernederingen en martelingen zijn door Coetzee gedetailleerd beschreven. De lijfelijke en geestelijke pijn krast met elk woord dieper in. Een jong meisje wordt uit het publiek gehaald om een van de barbaren te mogen pijnigen. De stadsgenoten kijken genoeglijk toe, joelen en juichen alsof het vertier is.

Gebrainwasht door de manipulatieve retoriek van de legerleiding, hebben ze het gevoel dat ze op het nippertje gered zijn van een barbaarse invasie en daarmee van hun ondergang. Pijnlijk actueel beschrijft Coetzee hoe leiders met een op angst gebaseerde retoriek de gehele psychologie verdraaien, en groepen mensen onder het mom van ‘het beschermen van een hard bevochten beschaving’ tot barbaarse daden aanzet.

Alleen de burgemeester lijkt in een gewetensconflict te raken: hij wil het opnemen voor de barbaren maar als hij dat doet, zal de legerleiding hem straffen. Dan wordt hij verliefd op een blind gemarteld meisje met wie hij in het geniep een erotische relatie begint. Hij kan niet anders dan kiezen voor de barbaren. Hij geeft het meisje in het geheim onderdak, bescherming en bezorgt haar werk in de keuken. In ruil daarvoor verblijft het meisje ’s-avonds bij hem. Hij overtuigt zichzelf dat het meisje vast ook verliefd op hem is. Maar als lezer ervaar je dat hij het onderdrukte meisje te hulp schiet ook om haar te kunnen misbruiken. Is de held nu ineens een dader geworden? En is het misbruik van het meisje niet nog barbaarser dan de acties van de legerleiding, omdat die vorm van manipulatie subtieler en daardoor nog schrijnender is?

Doordat migrerende volken te vernederen ontstaat polarisatie en geweld. Die vernedering wordt in gang gezet door de zogenaamde 'beschaafden', uit angst dat de 'vreemde ander' hem zijn privileges afneemt.

De burgemeester kan zijn hypocrisie niet lang volhouden. Beladen met schuldgevoel trekt hij erop uit om het meisje terug te brengen naar haar volk, een barre tocht die bijna zijn dood wordt. Bij terugkeer wordt hij door het leger beschuldigd van verraad. Nu wordt hij zelf behandeld als barbaar, gemarteld en vernederd op het marktplein, ten overstaan van de mensen die hij lang diende, maar door wie hij nu wordt uitgelachen en bespot. De burgemeester verliest zijn waardigheid en blijkt een angstig man; naakt struint hij door de straten op zoek naar mensen die hem een aalmoes gunnen. Ik erger me, verlang naar een heldhaftige hoofdpersoon, maar Coetzee vergrijpt zich niet aan dat cliché: geen krijger of held. Geen archetype die buiten de realiteit staat, maar een mens met schuld en schaamte, en angst, die uit overlevingsdrang eerst vernederd heeft en nu vernederd wordt.

Ook nu verandert de situatie na een gewelddadig incident. Een groepje soldaten keert gehavend terug van een missie, een dam wordt gesaboteerd, en een meisje verkracht. De schrik slaat eenieder om het hart; dit moet het werk van de barbaren zijn. De legerleiding slaat op de vlucht, ze laten de stadbewoners aan hun lot over. Het duurt niet lang of de bespotte, dwalende dorpsgek wordt weer burgemeester. Zijn enige angst nu, is dat de barbaren op een dag voor de poorten van de stad zullen staan. Niet dat hij hun agressie of wraak vreest; hij vreest dat de barbaren op een dag willen worden als zijn volk, zichzelf gaan beschouwen als beschaafden, en dan werkelijk barbaars zullen worden.

Die angst doet me denken aan het werk van de Hongaarse filosoof Tzevetan Todorov die ongetwijfeld geïnspireerd is geweest door Coetzee toen hij 'Angst voor de barbaren' schreef, een titel die lijkt op die van Coetzee. De Hongaar schetst hoe door de eeuwen heen volken die denken beschaafder te zijn dan anderen, barbaars worden. Het is volgens Todorov een misvatting te denken dat migrerende of nomadische volkeren zich niet zouden willen aanpassen aan de cultuur en gebruiken van een ander volk. Doordat ze vernederd worden ontstaat polarisatie en geweld. De ‘beschaafde’ zal uit angst dat zijn privileges worden afgenomen de ‘vreemde ander’ tot barbaar bestempelen en hem bij voorbaat willen uitschakelen, ook al is er geen enkele dreiging, precies zoals Coetzee in 'Wachten op de barbaren' schetst

Ik bij naar helden en daders, naar een discours van goed en fout. Ik wil eigenlijk een persiflage van de realiteit.

Het is moeilijk om Coetzee’s werk van een conclusie te voorzien en daarin ligt direct de schoonheid: de ambiguïteit van zijn personages, de maar al te menselijke kronkelingen om je veilig te voelen en te bewapenen tegen anderen als je denkt bedreigd te worden, ook al spelen die bedreigingen zich alleen maar in jouw (gemanipuleerde) gedachten af. Toch verlang ik bij het lezen van het boek naar rechtvaardigheid, ik wil krijgers en daders. Kortom, naar een discours die zich altijd lijkt te voltrekken naar polariteit: goed/fout, dader/slachtoffer - een zwart/witte werkelijkheid met duidelijke grenzen. Ik wil eigenlijk een persiflage van de realiteit… Coetzee geeft me iets dat me veel meer waard is: compassie met menselijke tekortkomingen, de herkenning van mijn eigen angsten en het daaraan gekoppelde gekronkel waardoor ikzelf mensen verneder en pijn doe. Inzichten die me meer brengen dan een versimpelde werkelijkheid.

De burgemeester overdenkt zijn daden aan het einde van 'Wachten op de barbaren'. Hij is verward door alles wat er is gebeurd. Wat hem overkomen is moet nog neerdalen, net als de sneeuw die op de laatste pagina's van het boek valt. Toch is hij door alle overdenkingen zichzelf meer nabij dan hij ooit was, misschien wel omdat hij een blik heeft gekregen op de 'donkere kanten' van hemzelf. Het is die nabijheid die voorkomt dat de ander ooit nog als barbaar beschouwd kan worden.

In de allerlaatste alinea loopt de burgemeester naar een stel kinderen die een sneeuwpop maken. Hij voelt een onverklaarbare vreugde als de kinderen de ijzige pop een neus, een mond en ogen geven. Waarom dat zo is kan hij niet verklaren, maar doet er ook niet toe.

NIEUWSBRIEF
MEER INSPIRATIE