André Platteel
ESSAY
De smaak van kersen
Foto van filmregisseur Abbas Kiarostami

Wat 2020 duidelijk heeft gemaakt is dat er veel uiteenlopende reacties zijn op een crisis. Zij die geloven in een hogere macht, zien de Corona-crisis als een waarschuwing en aansporing voor een meer bescheiden levenswijze. Een aantal facebook-vrienden grijpen plots naar complottheorieën, ze geloven de wetenschap en de politiek niet langer, kunnen de cijfers en maatregelen niet rijmen en grijpen naar andere informatiebronnen om daar houvast in te kunnen vinden. In mijn naaste familie hoor ik sommige ooms en tantes die er genoeg van hebben, ze doen alsof er niets aan de hand is, gaan gewoon op reis, organiseren familiefeestjes, ze willen er hun leven niet door laten beïnvloeden. Op sociale media kom ik steeds minder, niet alleen moe van de complottheorieën maar ook van strijd die daar tussen anderen heerst, over theorieën en modellen, cijfers en argumenten, en de onvermijdelijke discussies die daaruit voortvloeien.

Ontkennen, overgave, vechten, vluchten, en de daaraan gekoppelde emoties als verdrietig angstig, eenzaam of superieur voelen - allemaal reacties op een crisis die lijken op reacties die horen bij rouw. Het gaat om meer dan om Corona alleen, lijkt het wel; we beseffen dat er een einde komt aan een tijdperk, dat het model dat we lange tijd hebben aangehangen, niet meer houdbaar is. We moeten onszelf opnieuw uitvinden.

De manier waarop we met crisis en rouw omgaan, doen me denken aan de film Taste of cherry van regisseur Abbas Kiarostami. Een man rijdt rondjes om Teheran, op zoek naar iemand die voor hem een klus wil klaren. Mensen die zich bij hem aandienen neemt hij niet aan. Hij is heel specifiek op zoek. Zijn vraag is dan ook uitzonderlijk: hij wil een eind aan zijn leven maken en zoekt iemand die de kuil die hij al voor zichzelf gegraven heeft, dicht zal gooien. Steeds nodigt hij iemand uit een stukje met hem mee te rijden om hem te polsen voor de klus: een soldaat, een gelovige, een opzetter van dode dieren. De soldaat gaat er als een haas vandoor als hij van de zelfmoordplannen op de hoogte wordt gebracht, rent terug naar zijn bataljon, een groep marcherende soldaten in de verte. De theologiestudent probeert hem te bekeren met spirituele teksten, lijkt haast bevroren als hij geconfronteerd wordt met menselijk leed zo nabij. Alleen de preparateur, een oude man, wil hem helpen. Dat is eerder van praktische aard: het bedrag dat de suïcidale man voor de klus wil betalen biedt soelaas voor de doktersrekening van zijn zieke zoon.

"Heb je wel een goed gekeken naar de zonsondergang? Zou je die schoonheid willen missen?"

Gevoelloos is de oude man niet. In het ritje dat de twee maken vertelt de preparateur dat ook hij op een keer zelfmoord wilde plegen. 'Iedereen komt wel eens in een crisis terecht,' zegt hij. 'Ik was net getrouwd en mijn vrouw en ik hadden alleen maar ruzie. Op een ochtend pakte ik een stuk touw en liep naar een boom waaraan ik me wilde opknopen. Ik wierp het touw erom; er vielen kersen naar beneden. Toen ik er een proefde, was ik genezen. Ik liep terug naar huis, ging weer naast mijn vrouw liggen. De depressie is nooit meer terug gekomen. Heb je wel een goed gekeken naar de zonsondergang?' vraagt de oude man vervolgens: 'Zou je die schoonheid willen missen?

De suïcidale man zet de oude man af bij een faculteit waar hij lesgeeft. Even later rijdt hij terug en verstoort de oude man in zijn les. Als de oude man morgen op de afgesproken plek komt en hem daar bewegingsloos in zijn zelf gegraven graf aantreft, of hij dan voor de zekerheid een steentje naar hem wil gooien. 'Misschien ben ik alleen maar in diepe slaap,' zegt hij. 'Gooi voor de zekerheid twee steentjes.' De oude man – geïrriteerd dat hij in het lesgeven gestoord is - zegt dat twee steentjes niet genoeg zijn om iemand uit een diepe slaap te laten ontwaken. Hij zal er drie gooien.

Begint niet elke wederopstanding met menselijk contact?

In de laatste scenes zie je de depressieve man naar de zonsondergang kijken voordat hij naar huis keert, daar slaappillen neemt, en dan naar de kuil rijdt en erin gaat liggen. Het onweert. Het vermoeide gezicht licht in de bliksem een paar keer op voordat het beeld een paar tellen zwart wordt. Direct daarna hoor je marcherende soldaten. Plots komt er een cameraman en een geluidsman in beeld. De man die net nog in het graf lag, trekt aan een sigaretje terwijl hij luistert naar de aanwijzingen die de regisseur geeft aan de marcherende soldaten, een scene die eerder in de film zat. Het beeld is korrelig, heeft iets weg van met een amateurcamera geschoten 'behind the scenes' beelden. Ik ben verward.

Hoort dit beeld nog bij de film? Of kijken we naar 'behind the scenes', maar dan in de film ingebracht? Als dat zo is, wat wil dat dan zeggen? Dat het leven uit verschillende verhalen bestaat, filmische naast realistische, en dat die beide even waar kunnen zijn? De film zelf, tot het moment van het zwarte beeld, en in afwezigheid van een camera en geluidsman voelde voor mij meer als een realiteit dan de korrelige beelden met de crew in beeld. Wat is waar of echt? En welke einde is beter?

De man in zijn graf, het zwarte beeld dat erop volgt, en daarna zijn herrijzenis in een andere realiteit – die opeenvolging heeft haast iets religieus. Maar misschien is het aardser dan dat. Begint niet elke wederopstanding met menselijk contact?

Wat ik mooi vind aan de film zijn al die verschillende gesprekken op dat zandweggetje rondom de stad – allemaal verschillende reacties op een crisis. Die een is er bang voor en wil zo snel mogelijk 'back to business'. Een ander wordt er ongemakkelijk van en probeert met spirituele teksten de aardse beslommeringen van hem af te slaan. En weer een ander deelt zijn ervaring, luistert naar de beweegredenen van de ander en accepteert de beslissing ook al gaat die in tegen zijn eigen denkbeelden. Wat overeind blijft is de zelfbeschikking van de depressieve man: de mogelijkheid om zijn einde zelf te kunnen bepalen, of dat einde nou scherp is of korrelig.

NIEUWSBRIEF