De filosoof Jean Luc Nancy krijgt op zijn vijftigste te horen dat zijn hart op was. Hij krijgt een nieuw hart dat voelt als een indringer. Zijn immuunsysteem moet platgelegd worden om het nieuwe hart niet af te stoten. Hij mag ook niet meer naar drukke plekken, uit angst voor nieuwe infecties. Nancy wordt gedwongen te vertragen, en komt zo tot nieuwe inzichten. Ik lees Nancy's essay als een analogie met de huidige situatie, met het virus als indringer, die het immuunsysteem van de samenleving als geheel platlegt, ons dwingt te vertragen. En met de mogelijkheid tot verdiepende inzichten die ons als samenleving vitaler kunnen maken.

Door: André Platteel

 

De filosoof Jean Luc Nancy kreeg op zijn vijftigste te horen dat zijn hart op was. Hij krijgt een nieuw hart getransplanteerd waar hij een essay over schreef: ‘De Indringer’. Het nieuwe hart maakt Nancy gelijktijdig jonger en ouder. Jonger, omdat het hart afkomstig is van iemand die in de twintig was. En ouder omdat zijn lichaam het nieuwe hart niet accepteert en overuren maakt om het af te stoten. Door het nieuwe hart, is Nancy gedwongen ‘naar binnen’ te gaan. Hij krijgt beter contact met zijn lijf en hij onderzoekt wat werkelijk belangrijk voor hem is. Hij ontdekt dingen die al die tijd al in hem zaten, maar tot voor de operatie vreemd voor hem waren. De indringer komt niet van buitenaf, maar zat allang in hem, concludeert hij.

 

Het virus waar we nu mee te maken hebben, is net zo goed te beschouwen als een indringer. Het dringt onze wereld binnen. Het zal uiteindelijk onze lijven binnen moeten dringen om immuniteit te bouwen. En het is nu al collectief onze psyche binnengedrongen. De 1,5 meter economie suggereert dat we de indringer buiten kunnen houden. Maar is het virus als indringer niet allang onderdeel van ons bestaan?

 

 

De indringer fascineert

Ik heb Nancy’s essay nog niet zo lang geleden herlezen omdat ik vanuit Your Lab met een groep mensen aan de slag ging die soms gezien worden als indringer: vluchtelingen of mensen met een allochtone achtergrond maar hier geboren. Volgens Nancy is dat een belangrijk eigenschap van de indringer, dat er een bepaalde vreemdheid aan hem moet kleven zodat we hem op afstand kunnen houden, desnoods door het vreemde uit te vergroten of zelfs te verzinnen. Als we wel bereid zijn de ‘indringer’ te leren kennen, niet op een politieke correcte manier, maar door er contact mee te maken, dan zal zijn vreemdheid wegvallen. Dan kan hij niet langer een indringer zijn. Hij wordt van ons en vernieuwt ons, zoals het nieuwe hart van Jean Luc Nancy.

 

De indringer fascineert me. In mijn geest is hij er sluimerend voortdurend. Ergens ‘deep down’ merk ik, wil ik het virus als indringer al ongemerkt ontmoet hebben. Een loopneus, een kuchje en de gedachte komt bij me op dat het virus al bezit van me heeft genomen, een milde variant natuurlijk met niet al te veel last, want mijn leven is me lief. De indringer moet me al wel verlaten hebben, zodat hij deels een vreemde voor me blijft. Ik lijk daarin niet de enige. Om me heen hoor ik vrienden en mensen op straat waar ik met een boogje omheen loop, zeggen dat ze ‘hoogstwaarschijnlijk het virus’ gehad hebben. Als die mensen representatief zijn, dan moet ¾ van Nederland het virus al hebben doorstaan.

 

De indringer heeft ook iets verslavends. Ik slurp de indringer in de vorm van nieuws met flinke porties naar binnen. Elke dag om twee uur surf ik naar de RIVM-site om daar de laatste cijfers te zien van het aantal doden en ziekenhuisopnamen. Door de voorbehouden die gemaakt worden, heb ik trouwens geen idee hoe ik die cijfers moet interpreteren. Toch blijven ze me intrigeren, juist omdat ik ze niet begrijp. Door hun vreemdheid, blijft de indringer zijn status behouden. Omdat de cijfers suggereren iets van het virus te ontrafelen, blijf ik scherp. Ik wil de indringer niet alleen op afstand blijven, maar naderen, zoekend naar een opening om hem te leren kennen.

 

Het vreemde zit als vanzelf al voortdurend in ons. Alleen al met wat we doen, denken en voelen dringen we bij elkaar naar binnen. Er valt niets buiten te houden.

 

Er is geen hart

Bij het naderen van de indringer stuit je onvermijdelijk op angst. Het gevoel bestaat dat ons ‘wezen’ erdoor wordt aantast. Dat idee is er nu ook: het virus kan ons doden, en wat zeker lijkt, is dat de wereld erdoor wordt aangetast. Dat de wereld straks nooit meer hetzelfde zal zijn.

 

Als Nancy van de artsen te horen krijgt dat zijn hart op is, twijfelt hij of hij aan een transplantatie moet beginnen. Gaat hij daarmee niet tegen de natuur in? Moet hij de dood niet accepteren? Hij onderzoekt zijn verhouding tot de dood en komt erachter dat we als mens zijn gaan geloven in de technische maakbaarheid van het leven. We willen daarmee de dood buitensluiten. Maar levensduur is iets anders dan levenskwaliteit, beschrijft Nancy. Levenskwaliteit neemt toe als we de dood niet van het leven lossnijden, maar erkennen dat leven en dood innig verstrengeld zijn, ‘binnendringen in elkaars hart’, zo omschrijft hij het in zijn essay. Dat betekent niet dat Nancy dood wil. De confrontatie met zijn eindigheid en het doorprikken van de illusie van maakbaarheid, dragen wel bij aan het verdiepen van zijn kwaliteit van leven.

 

Als Nancy een nieuw hart krijgt getransplanteerd, ontstaat er een nieuwe omgang met zijn lijf. Eerst begint zijn lichaam het hart af te stoten. Hij krijgt medicijnen om het immuunsysteem te saboteren. Hij mag in die tijd niet meer naar plekken waar veel mensen zijn of waar hij een infectie kan oplopen. Zwembaden of uit-eten, drukke pleinen en cafés, het kan allemaal even niet. Het nieuwe hart dwingt Nancy te vertragen. Hij vraagt zich of wie hij is geworden met dat nieuwe hart: ‘Wat betekent intimiteit en identiteit eigenlijk nu mijn hart, een orgaan met zoveel symboliek, niet meer de mijne is, en het hart van een vreemde me voort laat leven?’ Nancy moet als het ware in zijn vreemde hart kruipen om het wezen van wie hij is te ontdekken. Waar hij achter komt is dat er geen wezen is aan te wijzen. Wie we zijn heeft geen hart, geen kern.

 

Na de operatie krijgt Nancy allerlei kwaaltjes, zoals schimmels en andere infecties. Die zaten al ongemerkt in zijn lichaam en komen nu bovendrijven. Hij komt erachter dat er allang indringers in hem zaten. Of we nou willen of niet, schrijft hij, we staan altijd in contact met anderen en de wereld om ons heen. En die dringen bij ons binnen, zonder dat we het doorhebben. Het vreemde zit als vanzelf al voortdurend in ons. Alleen al met wat we doen, denken en voelen dringen we bij elkaar naar binnen. Er valt niets buiten te houden.

 

 

Op welke manier ben ik een indringer voor anderen? En kan ik dat op een manier doen dat ik de ander niet verzwak maar bekrachtig? Hoe hangt dat weer samen met het vreemde in mijzelf, dat ik daar kennis van heb of wil nemen, zodat ik de ander niet besmet met een woekerend virus dat onbewust in het binnenste van mezelf ligt te woekeren, maar verrijk door te delen wat me lief is?

 

De samenleving op de beademing

Ik hou geen pleidooi om alles weer open te gooien en elkaar tot op de huid te naderen. Nancy moet na zijn operatie ook voorzichtig doen. Met medicijnen het immuunsysteem saboteren, en pas op de plaats. Dat draagt eraan bij dat hij tot diepere inzichten komt, en een nieuw perspectief krijgt op wie hij is: open en met alles en iedereen verbonden.

 

De analogie met wat er nu gebeurt ligt voor de hand. Alsof we als samenleving te horen hebben gekregen dat het huidige hart op is er een nieuw hart moet worden ingebracht. We mogen niet langer naar drukke plekken uit angst voor infectie. Het immuunsysteem van de samenleving – alle economische en sociale processen – die tot nu toe bij elke ramp of persoonlijk leed gewoon doordraaide, wordt nu platgelegd. We kunnen daardoor niet anders dan vertragen. Omdat we goed moeten opletten hoe het met onze gezondheid staat, krijgen we een hechtere band met ons lijf. We moeten naar ‘binnen’. Dat levert nieuwe inzichten op: welke sensaties zitten er in mijn lijf, en waar komen die vandaan? Het virus is een trigger voor allerlei gevoelens die wellicht al langer lagen te sluimeren en nu aan het licht komen: stress, angst, eenzaamheid, verslavingen. We worden uitgenodigd om met wat vreemd voor ons was, contact te maken: niet alleen het vreemde buiten onszelf maar ook binnenin ons.

 

Doordat het verloop van ‘de indringer’ nog onhelder is, worden we ook gedwongen na te denken over hoe we voorheen geleefd hebben en hoe we dat in de toekomst niet alleen kunnen en mogen, maar vooral ook zelf willen. Waren we nou zo tevreden met hoe het ging? Was het niet zo dat het hart van onze moderne samenleving uitgeput was geraakt, vermoeid door het hypermodel waarop het al decennialang doldraaide, met destructieve gevolgen voor de aarde als geheel? De gedwongen vertraging zorgt voor een simpeler leven: minder reizen, minder winkelen, minder uit-eten, minder drukdoenerij. Ik merk dat ik daar goed op ga, en als ik het daarover met familie en vrienden heb, geldt voor hen hetzelfde. Alsof met het platleggen van het immuunsysteem ook ons zenuwstelsel tot rust kan komen, en de hyper-energie die daar raasde tot normale proporties wordt teruggebracht. De menselijke maat komt onverwacht terug, met aandacht voor lijf en geest, en met tijd voor elkaar.

 

Dat geldt natuurlijk niet voor iedereen. Voor hen die getroffen zijn door ziekte en door het overlijden van een geliefde, is het een ramp. Voor mensen die hun baan verliezen of bedrijf. Of voor hen die werken in ziekenhuizen, waar de stress gelijk op met het virus raast. Maar ook voor hen die geen thuis hebben of waar het thuis onveilig is, is deze tijd hels. De bevoorrechten waar ik mezelf ook onder schaar, hebben een mogelijkheid om tot een verruimd bewustzijn te komen. Maar dat voorrecht is niet mijn bezit, hoort mij niet alleen toe.

 

Als ik besef dat ik net als Nancy geen kern heb, dat ik door toedoen van de ander besta, groei, en aan levenskwaliteit win, en dat ik met mijn gedrag ook anderen ‘besmet’, wat betekent dat voor mijn omgang met de ander? En dan niet alleen met die naasten die mij al lief waren, of voor diegene die ik respecteer vanwege het moedige werk dat ze doen, maar juist ook met hen die me vreemd zijn. Als ik niets buiten kan sluiten, wat betekent dat dan voor situaties die me bevreemden? En voor die aspecten in mijzelf die ik als vreemd beschouw en wegdruk? Wat wordt mijn houding ten aanzien van alle vormen van ‘indringers’?

 

Als ik altijd in relatie ben tot alles en iedereen, inclusief ‘de indringer’, wat betekent dat voor de dingen die ik denk en doe, niet alleen persoonlijk maar ook met anderen in organisaties? Op welke manier ben ikzelf eigenlijk een indringer voor anderen? En kan ik dat op een manier doen dat ik de ander niet verzwak maar bekrachtig? Hoe hangt dat weer samen met het vreemde in mijzelf, dat ik daar kennis van heb of wil nemen, zodat ik de ander niet besmet met een woekerend virus dat onbewust in het binnenste van mezelf ligt te woekeren, maar anderen verrijk door te delen wat me lief is? Allemaal die de afgelopen decennia in Your Lab centraal stonden en dat zullen blijven doen als we weer bij elkaar mogen komen.

 

Deze tijd vraagt van leiders niet alleen een humanitaire visie op een virus, maar een humanistische visie op de mensheid. En dat leiderschap begint bij mezelf.

 

Het nieuwe normaal

De huidige situatie wordt door Rutte het nieuwe normaal genoemd. Ik denk dat hij daar wel eens gelijk in zou kunnen hebben. Niet vanwege de 1,5 meter afstand, maar vanwege een leven dat simpeler is: een leven dat niet opgejaagd wordt door consumentisme, vluchtigheid, stress en strijd. Die omslag gaat niet vanzelf. Het gevaar is dat als eenmaal het nieuwe hart getransplanteerd is en het immuunsysteem weer zijn werk mag doen, het ‘business as usual’ wordt. En misschien wel met een inhaalslag, aangejaagd door diezelfde leiders die ons nu nu aan banden leggen, om de economische schade zo snel mogelijk ongedaan te maken. Maar zou dat niet zijn als een marathon lopen met een hart dat nog vers in ons lijf naar hechting zoekt?

 

De overmoed ligt niet in het overtreden van de huidige quarantaine-regels; de overmoed zal liggen in zo snel mogelijk naar het oude abnormaal te willen gaan. De leiders die nu de humanitaire ramp willen beperken, zouden ons kunnen behoeden voor misschien nog wel een veel grotere humanitaire ramp op termijn: destructie van de menselijke maat door economische overmatigheid.

 

Deze tijd vraagt van leiders niet alleen een humanitaire visie op een virus, maar een humanistische visie op de mensheid. En dat leiderschap begint bij mezelf.

 

Hoe kan ik met mijn hart, het lichaam (onze samenleving) van krachtig bloed voorzien? En welke omgang hoort daarbij? Een app die de besmette van de gezonde differentieert en het abnormale zo snel mogelijk weer tot het nieuwe normaal wil maken? Of een omgang van menselijke maat die ons ontvankelijk maakt om de indringer (het vreemde) te naderen. Niet persé fysiek, en zeker niet om ziek te worden, maar om te beseffen dat elke grens die we optrekken om de indringer buiten te sluiten artificieel is, en dat wanneer we die grenzen op een veilige manier openen, we niet alleen onszelf verruimen, maar ook het leven van anderen. Zelfs van diegenen die ons vreemd zijn.

 

Deel dit artikel: