Iedere tijd kent zijn ziektes. Tot voor kort dachten we dat pandemieën waren uitgeroeid. Burn-outs en depressies waren de ziektes van deze tijd. De samenleving die leidt aan burn out en depressie wordt aangestuurd door een overdaad aan positiviteit: alles moet kunnen. De samenleving met pandemieën door het ‘negatieve’: door wat niet mag. Wat gebeurt er als die twee samenlevingsvormen op elkaar botsen?

De ‘eros’-samenleving

Door: André Platteel

 

Ik was op weg naar een platenzaak bij mij in de buurt die de afgelopen weken ongestoord en elke dag open was, ook al kwam er geen hond. Ik onderbrak het thuiszitten met uren luisteren, niet alleen naar platen maar ook naar de eigenaren die met hun kennis van jazz, soul en funk gemakkelijk anderhalve meter overbrugden. Ik liep langs het Spui, de etalage bij Athenaeum boekhandel zag eruit als een museumvitrine; boeken met titels als artefacts van een ver verleden. De bankjes op het pleintje voor de winkel waren verlaten. Op kinderkopjes pikten twee duiven met hun snavel in elkaar. Iemand die langsliep zei dat ze elkaar zo liefkozen.

 

Langs Esprit, het café waar ik met Raoul een jaar of tien terug elke donderdag een broodje tonijn at en het boek doornam dat we die week daarvoor lazen. Ik herinner me een boek van Foucault, over de commando-samenleving, waarin iedereen onder surveillance staat, om het ‘abnormale’ te spotten en uit te sluiten – in een inrichting of achter tralies. Raoul vond Foucault’s werk ouderwets. De samenleving zou niet langer zo werken: geen controle en verbod, en geen instituties waar je in weg gestopt wordt. Het was volgens Raoul allemaal een stukje geniepiger. Het is niet dat je iets niet mag, maar juist dat alles kan. Dat leidt tot zoveel innerlijke druk dat je eraan bezwijkt. Er is geen externe autoriteit meer nodig, die zit in onszelf en is nietsontziend. Die druk was Raoul te groot. Of misschien was hij in zijn denken zijn tijd ver vooruit, waardoor hij er zelf voor koos te verdwijnen.

 

We worden aangespoord initiatief te tonen, ons leven in eigen hand te nemen en vooral ons zelf te worden. Dat lijkt vrijheid te geven, maar bewerkstelligt het tegenovergestelde. We raken uitgeput van het aan onszelf werken.

 

Jaren na die broodjes tonijn, lees ik ‘De vermoeide samenleving’ (uit 2014) van de Koreaanse filosoof Byung-Chul Han. Hij wordt gezien als een van de meest vooruitstrevende filosofen. Zijn gedachten doen me denken aan Raoul. Toch lijkt Han’s analyse nu uit een andere eeuw te stammen. Meteen al aan het begin van ‘De vermoeide samenleving’ stelt hij dat iedere tijd zijn ziektes kent. Deze tijd zou niet langer gekenmerkt worden door grieppandemieën. Met immuuntechnieken hebben we die onder de knie gekregen. We zouden nu leiden aan pathologische ziekten. Niet langer viraal, maar neuraal. En om precies dezelfde redenen als die Raoul toen bedacht had: er is geen disciplinerend model meer die ons vertelt wat we wel en niet mogen. We worden aangespoord initiatief te tonen, ons leven in eigen hand te nemen en vooral ons zelf te worden.

 

Dat lijkt vrijheid te geven, maar bewerkstelligt het tegenovergestelde. We raken uitgeput van het aan onszelf werken. De innerlijke kritische stem houdt ook maar niet op met klagen, het is nooit genoeg. De disciplinerende stem komt niet langer van buiten, maar is een grommende stem die binnen in ons voortdurend nagalmt. Zo worden we een vleesgeworden productiemachine, de motor moet voortdurend gesmeerd om altijd maar meer en beter te produceren, met pathologische verschijnselen als gevolg: stress, burn-out en depressie. Han stelt dat de huidige prestatiesamenleving leidt tot systemisch geweld: we vernietigen onszelf van binnenuit.

 

Die hele analyse maakte Han natuurlijk voor de quarantine. De pandemieën blijken niet uitgeroeid, maar zijn als je de virologen mag geloven, de nieuwe realiteit – en ook voor de toekomst. Foucaults commandosamenleving bloeit weer op: restricties wat we wel en niet mag met surveillance. We volgen de commando’s op, voor ons eigen bestwil, ook al zijn er brandhaarden van verzet die direct de kop in worden gedrukt onder het mom van asociaal of onwetend gedrag. Het normaliseringsprincipe viert hoogtij, verdedigt met feiten en cijfers van een specifieke groep virologen.

 

Voor mijn deur heeft de onderbuurman op de stoep een hele grote sticker geplakt met ‘afstand houden’, en twee lijnen over de hele stoepbreedte om de aftand van 1,5 meter af te bakenen. Ik heb zin om de stickers eraf te trekken, niet omdat ik geen afstand wil houden, maar omdat ik de commando’s zat ben, en zeker van deze buurman die het liefst overal grenzen wil trekken, voor alles wat hem vreemd is, en nu de vrijbrief heeft über-commandant te zijn van het pand waarin ik woon.

 

Is er nu ruimte voor een ‘eros-samenleving’ waarin emoties, gedachten en commando’s niet op straat liggen, maar waarin er een gepaste afstand is tot jezelf en de ander, zodat er ruimte is voor de mystiek die in beiden huist, en in het ‘tussen’, dat altijd al mystiek is geweest?

 

Ik ben benieuwd hoe lang het spanningsveld is vol te houden: gaat de prestatiesamenleving gecombineerd met de opnieuw geïnstalleerde commandosamenleving een explosieve cocktail opleveren? Hoe gaat het met onze innerlijke drive tot presteren en verbeteren, als die motor onverwacht tot stilstand wordt gebracht? Of is de noodrem die nu wordt aangetrokken noodzakelijk voor een prestatiesamenleving op drift, een tijdelijke stop, om de totale uitputtingsdepressie die aanstaande was tot een halt te roepen? Welke soort krijg je als je een commando-samenleving kruist met een prestatiesamenleving? De lang verwachte virtuele samenleving, waarin oneindige opdrachten onzichtbaar geprogrammeerd zijn terwijl je het idee hebt juist alle vrijheid te hebben? Losgekomen van jezelf maar in een wereld die niet echt is en volledig gecontroleerd.

 

Of ontstaat er een eros-samenleving, waar Han voor pleit: een samenleving waarin er ruimte is voor verleiding, voor vertraging, voor het spel van verhullen en onthullen. Een samenleving waarin emoties, gedachten en commando’s niet op straat liggen, maar waarin er een gepaste afstand is tot jezelf en de ander, zodat er ruimte is voor de mystiek die in beiden huist, en in het ‘tussen’, dat altijd al mystiek is geweest. Waarin het niet draait om jezelf maar om het contact tussen jou en de ander. Waarin er geen commando’s zijn maar het draait om aftasten en uitnodigen. Waarin we onze emoties en gedachten niet voortdurend aan anderen opdringen in gevatte one-liners en slimmigheden, maar waarin we wat we weten als uitgangspunt nemen voor verdere verdieping. Een wereld waarin je niet op zoek bent naar een verbeterde versie van jezelf, of naar een oneindige spiegeling van jezelf, maar naar het cultiveren van nieuwsgierigheid en interesse. Een wereld waarin je niet grijpt en graait maar vertraagt en laat. Een wereld waarin je niet bezig bent met het buitensluiten van het vreemde, maar het vreemde in jezelf en bij de ander nadert; niet om het in te sluiten of eigen te maken, maar juist om de vreemdheid te eren. Eros als een voortdurend opborrelende bron van energie van verwondering en intimiteit zonder de grenzen van banaliteit en obsceniteit te schenden, maar wel de grenzen van je wat je weet en kent oprekt. Raoul zou zo’n samenleving verkozen hebben.

 

Bij de platenzaak luister ik naar hip-hop, nooit echt fan geweest, maar nu ben ik gefascineerd. A Tribe Called Quest, Gang Starr, Digable Planets, Beastie Boys. Muzikanten die met aandacht hun achterland bestudeerden en daardoor konden vernieuwen. Ik denk door een maand lang naar soul en jazz te hebben geluisterd fragmenten in hun muziek te herkennen. Maar de samples zijn vervormd, er is iets anders ontstaan. Ik herken het maar ook niet. Iets blijft ontglippen en juist daardoor ontstaat er iets anders. Er gaat een wereld voor me open. De verkoper kijkt vertederd toe, voor hem is het al decennialang gesneden koek. ‘Man,’ zegt hij, ‘wat ben ik jaloers. Je bent het nog allemaal aan het ontdekken.’ Ik krijg les, steeds weer pakt hij andere platen uit de bakken van muzikanten die zich niet in een kader lieten vangen, die in genre onbenoembaar bleven. Ik leer luisteren. En door te luisteren begin ik anders te denken en te voelen. Er komt een zintuig bij, een die zich niet zo snel laat kaderen. Het voelt als de boekbesprekingen met Raoul, alleen ligt de levenslust nu gegroefd in vinyl. De grens tussen soul, jazz en hip-hop vervaagt. De grens tussen toen en nu vervaagt. Ik ga goed op het spel van onthullen en verhullen: ik loop decennia achter, maar voel me helemaal bij de tijd.

 

 

 

Deel dit artikel: