steeffleur_yourlab-kschippers-lr_015

De waarheid is nergens lid van

Door: Robin van den Maagdenberg

Hij komt binnen met de tred van een jongeman, rechtop, een lange gestalte. Vier uur ’s middags, ik heb een stil hoekje uitgekozen bij Brasserie Keyzer. K. Schippers woont er in de buurt, had ik ergens gelezen. Een prima plek, merkt hij op zodra we zitten, toch komt hij vaker bij café Wildschut, hier vlakbij. Ja, nu ik hem zo zie komt de plek die ik heb gekozen ineens stijfjes over. Hij wijst in de ruimte, ‘daar zat de Bezige Bij altijd te vergaderen. En ik heb me ooit verdiept in de Rijkspostspaarbank hiertegenover, dat is nu het Conservatorium Hotel. Ik keek daar eens uit het raam en schreef er een van mijn eerste gedichten. Ik weet nog precies uit welk raam. Het gedicht heet de autobezitter:

 

‘Er stapt een man in een auto
verricht de nodige handelingen
voor het rijden
en rijdt
daarna
dan ook
inderdaad
weg.’
 
Tijdens het gesprek zal hij steeds voorbeelden uit zijn gedichten en verhalen geven, alsof hij een kaartenbak in zijn hoofd heeft met daarin zijn gehele oeuvre, op thema geordend. We bestellen een glas wijn. Ik mors een druppel op het witte tafellaken, uit zenuwen. Zonder er nadruk op te leggen pakt hij zijn zakdoek uit zijn borstzak en dept hem op. Wil hij voorkomen dat ik in verlegenheid word gebracht? Ik vat het op als een bemoedigd teken.
 
Ieder woord wordt nauwkeurig door hem gewogen. Tijdens het interview schaaft hij mijn zinnen bij, vervangt hij het ene woord voor een ander. Ik heb hier te maken met iemand met een grote liefde voor de taal. Ik wil mijn woorden zorgvuldig kiezen, maar het kost me het eerste kwartier moeite om ze te vinden. Als ik vraag wat aandachtigheid voor hem betekent, kaatst hij terug dat dat woord niet in zijn woordenboek voorkomt. ‘Abstracte woorden vermijd ik liever. Ze zeggen me niet zoveel. Zoiets kan alleen blijken uit wat je doet. Ik was ooit in Loosdrecht. Ken je Loosdrecht? In het buitenland ben je gewend om goed te kijken, maar in eigen land doe je dat minder vaak omdat iets in jou zegt, ik geloof het wel. Ik schreef daarom:
 
‘Bij Loosdrecht

Als dit Ierland was,
Zou ik beter kijken.’
 

 

‘Dit is een voorbeeld die wel vanuit aandachtigheid komt, maar zo zou ik het nooit noemen. Ik heb ook ooit een gedicht gemaakt dat eindigt met:
 
‘Kijken is optellen in goed vertrouwen:
dit is de voorkant van een lepeltje,
dan zal de achterkant er ook wel zijn.’
 
Je telt dingen bij elkaar op. Ik zie nu jouw achterhoofd niet, maar als ik je langer zou kennen dan zou ik van de achterkant kunnen zien dat je Robin bent. Nou kijk, zo sla je je door het bestaan.’
 
Schrijven lukt hem niet aan een bureau. Achter een computer krijgt hij geen ideeën. Ik stel me voor dat hij veel door de stad loopt. Misschien stopt hij hier en daar voor een kop koffie, of drinkt hij een glas wijn – ik weet het eigenlijk niet, want wat hij eet en drinkt lijkt in zijn verhalen niet het vermelden waard te zijn. Ik las wel over de terrassen waar hij komt, de bioscopen en theaters, het circus waar hij dol op is – clowns krijgen opvallend vaak een plek in zijn verhalen – omdat ze ons laten nadenken over hun onzin, vertelt hij in een bijzin. Ook reist hij veel, zijn favoriete kunstenaars achterna, velen daarvan alleen nog voortlevend in schilderijen, tekeningen en achtergelaten ateliers. Zijn verhalen verklappen een leven in vrijheid. Hij observeert alles wat hij tegenkomt. En dat niet alleen, hij pluist de situatie helemaal uit. Wat is er aan het beeld dat hij ziet voorafgegaan, en wat zal er daarna gebeuren? Zo schreef hij een verhaal over een poes die net was bevallen. Toen ze haar vijf pasgeboren baby’s wilde verhuizen, zag K. Schippers hierin een kans om voor eens en voor altijd vast te stellen of een poes kan tellen. Als ze na het verplaatsen van het vijfde poezenkind stopte, zou dat het bewijs zijn.
 
Een klein aantekenboekje – formaat luciferdoos – heeft hij altijd bij zich, vertelt hij. Daarin schrijft hij alles op wat een begin kan vormen voor een verhaal. Zijn verhalen staan vol met dingen waar je dagelijks langs loopt, die zich onder je neus bevinden, maar die je niet meer ziet. Hij zet ze in het licht. Hij ontrafelt dingen waarvan je niet wist dat ze ontrafeld kunnen worden, een melodie, potloodslijpsel dat naast een binnengewaaid blaadje ligt, twee dingen die zonder dat ze het van elkaar weten uit hetzelfde materiaal gemaakt zijn, boodschappenlijstjes, briefjes van kinderen. Zelf ook weer nieuwsgierig naar zijn eerdere vondsten, gunt hij mij een kijkje in een van de boekjes. ‘Eens kijken of ik iets voor je heb.’ Hij leest voor: ‘In de trein vanuit Maastricht zie ik om tien voor tien ’s avonds in het donker door het raam een dubbeldeksgoederentrein met personenauto’s, niemand zit erin.’ Een prachtig beeld. ‘Dat kan ik niet verzinnen,’ zegt hij. ‘Zelf bepaal ik niet waar ik over zal schrijven, dat bepalen de dingen die ik tegenkom. Je kan er alleen voor open staan. Het gaat vaak om heel eenvoudige dingen, waar iets mee aan de hand is. Dat wat zo nabij is lijkt gemakkelijk te betrappen, maar dat is het vaak niet. Je zal niet thuiskomen vanmiddag en zeggen; Ik heb een hele mooie peperbus gezien, maar die was er wel. Ik ben de verslaggever daarvan. Dat is gewoon zo gekomen, als kind had ik dat al.’
 

Nu we het erover hebben,’ zegt hij met een zekere verwondering, ‘dan lichten meteen alle kleuren van de omgeving op.’

 
Af en toe dwalen we af van het onderwerp of gaan we soepel over op iets anders. Van een druppel op het tafelblad naar pleinvrees, van de foto’s van Robin de Puy naar vriendschappen, van mijn verjaardag naar zijn liefde voor films. Een mooie manier om op nieuwe dingen te komen, vindt hij. Met een glinstering in zijn ogen: Zie je nu, we zijn al rap van een woord als aandacht aanbeland in de dingen die echt bestaan.’ We praten over een van zijn beroemde gedichten:
 
‘Als je goed
om je heen kijkt
zie je dat alles
gekleurd is.’
 
Een gedicht dat hem erg bevalt omdat het zo helder is. Hij schreef het toen hij achttien was. ‘Als je schrijft moet je het bij een zekere eenvoud houden. Een goed gedicht heeft iets universeels. Nu we het erover hebben,’ zegt hij met een zekere verwondering, ‘dan lichten meteen alle kleuren van de omgeving op.’
 
Het gesprek neemt een andere wending als ik hem vraag of hij weleens kritisch is op kunst. Nu worden zijn antwoorden scherper. Ineens ben ik weer de interviewer en is de soepelheid uit het gesprek. ‘Ik wend me alleen tot datgene waar ik energie van krijg,’, antwoordt hij. ‘Al het andere ga ik liever uit de weg.’ Mijn vraag valt overduidelijk in die laatste categorie. De sfeer is even bevroren. Een beetje zenuwachtig van deze plotselinge ommekeer, stel ik een andere vraag. Hij voelt mijn ongemak misschien en wordt dan opeens persoonlijk. ‘Waar ben je geboren?’, vraagt hij. ‘In Amsterdam-West, de Baarsjes.’ ‘Nee! Ik ook. Kom je weleens bij Restaurant Edel? Dat is best aardig.’
 
Af en toe vraagt hij of het gesprek nog wel de kant op gaat die ik in gedachte had. Is dit iets voor je, Robin? Is dit een beetje wat je wil horen? Zitten we nog op het juiste spoor? Soms slaat het gesprek de andere kant op, interviewt hij mij. Als ik hem vraag of er nooit iets aan zijn aandacht ontglipt, begint hij mij te bevragen. ‘Wat is jouw kijk op de wereld? En in welke vorm giet je het?’ Ik vertel hem dat ik zoekende ben naar de vorm, nog niet weet of dat schrijven, schilderen, tekenen of iets anders is. ‘Ooit ontmoette ik Man Ray,’ vertelt hij, ‘en ik vroeg hem wat hij zich het meest voelde, schilder, fotograaf of filmmaker. Hij zei toen “dat is de goede vraag niet. Het enige wat ik heb gedaan is het meest eenvoudige middel vinden bij een idee.” Dat is wel mooi, zo heb ik zelf ook altijd gewerkt. Door vaak films te monteren leerde ik veel over hoe verhalen in elkaar steken, en vooral wat je weg kan laten. Soms kies ik voor een gedicht, soms voor een verhaal. De essentie van een discipline is altijd mooi.’
 
Ons gesprek lijkt een voortdurend onderzoek, naar vorm, naar elkaar, naar de omgeving, naar woorden. Dat doet hij soms met de scherpte van een intellectueel, maar vaker met de verwondering van een kind. Een mooi en simpel gedicht van hem luidt:
 
‘De waarheid is nergens lid van.’
 
Het gesprek vraagt volle concentratie. K. Schippers neemt mij, net als de taal, uiterst serieus. Ik denk aan een van zijn essays, waarin hij vertelt dat hij benaderd werd door iemand die zijn verhaal bekritiseert. Je zou dat beledigend op kunnen vatten, maar K. Schippers nodigt de man bij hem thuis uit. De man heeft iets betweterigs, maar wordt door hem met respect behandeld. Je merkt dat hij hem gaat waarderen, ondanks – of misschien juist dankzij zijn rare trekken. Uiteindelijk ontstaat er zelfs een vriendschap. K. Schippers lijkt een zwak te hebben voor vreemde trekjes van anderen die voortkomen uit een grote fascinatie voor iets, of het nu tekenfilms zijn, versprekingen of wat dan ook. Die interesse wordt niet door hem bespot, maar in het licht gezet.
 
Als ik naar huis fiets, lijkt het alsof alles inderdaad gekleurd is. De dagen na ons gesprek voelt het alsof ik langzaam volstroom. Is er een nieuwe tint aan de dag toegevoegd? Ik zie overal dingen die aan zijn verhalen verbonden zijn. Een etalage waar de tijd op honderden horloges voorbij tikt, een meisje van drie die haar tong uitsteekt voor het raam, een hoedenwinkel, mijn gezicht weerspiegeld in de achterkant van een lepeltje. Ik fotografeer het allemaal. Ik stuur hem een bericht of we nog eens kunnen afspreken, om het interview voort te zetten. Ik weet dan al dat dat niet de echte reden is, ik wil alleen dat het gesprek voortduurt.
 
‘Laten we dat maar doen.’
‘Dezelfde plek, dezelfde tijd?’
‘We kunnen ook een tijd afspreken en een datum, geen plek, dan moet je wel de tijd nemen om te zoeken. Je afspraak kan overal zijn.’
De foto’s die ik heb gemaakt stuur ik op, met daarbij de tekst:
‘Ik hoef je niet te zoeken, want ik zie je overal.’

 

 

 

 

‘Je hebt me aangestoken met je verhalen’ zeg ik als ik hem weer zie. We zitten op dezelfde plek bij Brasserie Keyzer, in het hoekje dat door zijn aanwezigheid is gaan flonkeren.
‘Nee! En? Bevalt het je? Dat is toch wel heel erg grappig.’
‘Hoor je dat vaak?’
‘Er stapte eens, na een lezing, een jongedame op me af. Ze zei: “U bent mijn Britney Spears. Wat u heeft geschreven heeft zoveel voor mij betekend, kunnen we niet een keer afspreken.” We zien elkaar nog steeds regelmatig. En, heeft het jou veranderd?’
‘Ja.’
‘Ach nee! Wat is er dan veranderd voor je?’
‘Het lijkt alsof ik de dingen om me heen dichter kan naderen.’
‘Dat vind ik dan toch wel heel ontroerend. Je wilt iets doorgeven, daarom schrijf je het op. Dan hoop je ook dat het een ander treft.’
 
Ik vertel hem dat ik een idee heb, gebaseerd op het boek Brieven aan een jonge dichter van Rilke. In dit boek reageert de Duitse dichter Rilke in briefvorm op de gedichten die een jonge Duitse militair hem regelmatig toestuurde. De militair ontvangt brieven van Rilke waarin hij reflecteert op het werk van de militair, inzicht geeft in zijn eigen creatieproces, maar bovenal levenslessen opschrijft. Ik stel voor om hetzelfde te doen, elkaar brieven te sturen met verhalen. K. Schippers reageert enthousiast: ‘Ben jij dan Rilke of ik?’
 
‘Als we dan toch alles aan het onderzoeken zijn,’ zeg ik, ‘waarom zouden we dan een standaard interview doen, als we ook een nieuwe vorm ervoor kunnen bedenken?’ Hij veert op: ‘Nou, dan moeten we dat maar doen. Vraag maar raak.’ Ik aarzel, omdat ik het idee van al die vragen wilde loslaten, en nu toch weer interviewer ben, maar vraag toch:
 
‘Waar heb jij het gewoonlijk over over met je vrienden?’
‘Daar zou ik toch niet zo goed antwoord op kunnen geven. Dan krijgt het iets opgelegds. Het aardige aan de vorige keer was dat het gesprek vanzelf ging. Dus ik zou zeggen, begin maar. Het onderwerp zou ook niet geheel van mij moeten komen. We zien wel waar het belandt.’
‘Maar, wie zijn je goede vrienden?’
‘De meeste van hen zijn verdwenen: Bernlef, Brands. Ik kon ze nog een kans bieden op een ontsnapping, in het boek ‘Voor jou’. Daarin liet ik ze wegvliegen in een luchtballon. Ik noem de dood dan ook niet de dood maar een verdwijning. Als iets verdwenen is, is er nog kans dat het terug komt. En ze komen ook vaak terug, want ik ben er nog. Is dat een antwoord?’
 
Schippers schreef niet alleen een boek waarin hij zijn vrienden liet ontsnappen, maar liet ook zijn moeder terugkomen in zijn verhalenbundel ‘Niet verder vertellen’. En hij schreef een roman over een driejarig meisje, om zich te verplaatsen in de wereld van zijn (toen nog) kleine dochters. Als je zijn gedachten volgt, dan lijkt alles wat hij beschrijft zo logisch. Het voelt vreemd dat dit me allemaal nooit is opgevallen. Hij blaast leven in dingen waarvan je dacht dat ze geen leven in zich hadden. Hoe komt hij erop?
 
‘Ik zie altijd eerst een bepaalde kern,’ zegt hij. ‘Bijvoorbeeld, mijn kleine dochters, iedereen drukte ze zomaar tegen zich aan. Wat vind je daar nou van? dacht ik dan. Ze konden nog niet praten. Dan geef ik ze een stem. Zo gaat dat. Of ik was eens in een hotel, mijn ene been sliep. Maar de rest niet. Zou het kunnen dat die dingen afzonderlijk in slaap vallen. Een wenkbrauw, enkel, neusvleugel. Dat wordt dan een gedicht:
 
‘Mijn been slaapt in het hotel
iets tussen tintelen en zeuren in
een slapende elleboog
‘t zweeft
terwijl je verder praat
een slapende wenkbrauw
een slapende enkel
een slapende wang
gescheiden rust
voor het hele lichaam
vermoeidheid per hand of voet’
 
Is dit dan de afsluiter,’ vraagt hij. Dan vertel ik dat ik het idee van een interview allang had losgelaten, maar wilde afspreken om hem nog eens te zien. ‘Maar dan moeten we er misschien mee door gaan. Zodat het interview nooit af komt.’ Hij bestelt nog een glas wijn voor ons. ‘De volgende keer kunnen we uit eten gaan, of naar het circus. Hou je van het circus?’ De serveerster komt de wijn brengen. ‘Hoe heet jij?’ vraagt K. Schippers haar. ‘Nienke,’ antwoord ze. ‘Nienke, denk je ‘die hebben het gezellig’, als je zo naar ons kijkt?’ Als Nienke later wegloopt, zegt hij: ‘Ze is leuk hè, Nienke. Als wij elkaar nou tegenkomen op straat, ik loop aan de ene kant van de straat en jij aan de andere kant, en ik roep hard: Nienke! Zal je dan aan deze Nienke denken?’
 
Ik sluit het gesprek met een licht gevoel af, wetend dat het hier nog niet eindigt. Drie weken later stuur ik hem een brief, waarin ik probeer de wereld te observeren zoals hij dat zou doen. Hij stuurt een brief terug, waarin hij me uitdaagt om weer anders te kijken, te spelen met wat ik zie en tegenkom. Dan stuur ik hem een uitnodiging om uit eten te gaan. Ik kies het tijdstip, hij de datum, en vervolgens ik weer de plek. De vorm is nog onbepaald. Alles ligt open.

 

 

Deel dit artikel: