perfect

Een broeierige augustus zomeravond, misschien wel tien jaar terug. Ik was op doorreis, ergens tussen Palm Springs en Los Angeles, stopte in een Native American-reservaat om iets te eten, en een ouwe man op een bankje voor een eetcafé waarvan de naam in helblauwe neonlicht knipperde, zei ‘susto’ tegen me. Hij leek te zijn weggeplukt uit ‘True Detective’, alhoewel die serie toen nog niet bestond: een landkaart van diepe groeven in zijn gezicht, zijn stem indringend, net als zijn blik. ‘Susto, susto,’ hij bleef het maar herhalen, prikte me met zijn trillende uitslaande vinger in mijn buik. Pas veel later toen dat woord me in mijn dromen bleef achtervolgen en ik het opzocht, kwam ik erachter wat susto betekent: bevroren zijn, je ziel kwijt geraakt. Hij had een scherp oog die ouwe met zijn blauwe neon-aureool.

 

Tekst: André Platteel

 

Ik had lange tijd het gevoel niet echt in de wereld te zijn. Alsof ik de regie er niet meer over had en het leven aan me voorbij trok: moeilijk contact te maken met mijn verlangens, maar geen echte keuzes kunnen maken, gelaten zijn, sluimerende angst voor afwijzing en oordelen, vluchtige sociale contacten, afhankelijk geworden in de liefde. Kortom: het gevoel dat ik er zelf niet helemaal was. Misschien dat ik me daarom was gaan interesseren voor ‘in het hier en nu’ willen zijn. Ik bezocht leraren die vertelden over hoe je in het hier en nu kunt raken, wat ik ook ervoer tijdens hun bijeenkomsten en retraites. Maar vrij snel na dat soort bijeenkomsten verloor ik weer de aansluiting met de huidige tijd, en stond ik opnieuw scheef op het leven.

 

Zo’n terugval was als een drugsdip, ik wilde weer opnieuw de sensatie voelen van vol en met aandacht in het moment zijn, en deed me tegoed aan weer nieuwe meditatievormen en andere leraren die schijnbaar krachtig en liefdevol in het leven stonden. Ik vond het heerlijk om me te baden in geruststellende clichés als: je bent liefde, we zijn allemaal verbonden, je bent uiteindelijk een no-body dus neem niets persoonlijk. Ik werd rustiger, maar ook passiever, en soms dacht ik zelfs dat die passiviteit een overwinning was, omdat het leven me zelf niet meer zo raakte. Was dat niet de weg naar ultieme bevrijding?

Susto, susto….

 

 

Maar als ik liefde was, waarom voelde ik me dan nog steeds soms zo leeg en woedend? En als ik altijd verbonden ben, waarom was ik dan nog steeds zo eenzaam en angstig? Als ik niets persoonlijk moet nemen, wat moest ik dan met mijn hoogst persoonlijke verlangen me op een unieke manier in deze wereld uit te drukken wat maar niet lukte?

 

Ik raakte door al het spirituele gemeengoed gedissocieerd: zat niet meer in mijn lijf. Was ijl geworden. En ik kwam erachter dat de leraren die ik bezocht en die ik ook persoonlijk begon te leren kennen, zelf ook moeite hadden met contact maken. En dat de mensen die ik bij die leraren zag en ook daarbuiten leerde kennen, net als ik weinig progressie leken te maken op de terreinen die zo liefdevol verkondigd werden.

 

Ik raakte door al het spirituele gemeengoed gedissocieerd: zat niet meer in mijn lijf. Was ijl geworden.

 

Ik moest in de tijd vaak terugdenken aan een leraar die me op de middelbare school literatuur bijbracht, en me het verhaal van Dante vertelde. “De weg naar het licht kun je niet met een lichte sprong maken. De weg naar het licht, gaat via het dal, je moet afdalen naar je eigen donkerte, je vergezeld weten door compassievolle helpers, het donker doorlopen met rust en vertrouwen, en dan zal het licht stralen en nooit meer verdwijnen.” Hij gaf me een exemplaar van Dante’s inferno, dat eigenlijk De Goddelijke Komedie heet. Een lang gedicht, mijn exemplaar met prachtige tekeningen. Om bij het licht te komen, ontdekte ik toen ik het boek onlangs herlas, moet je volgens Dante (de auteur die ook hoofdpersoon is) eerst dwars door de aarde lopen. Je moet eerst aards worden om licht te kunnen zijn.

 

Om dat te kunnen, zo heb ik de afgelopen jaren pas goed begrepen, moet het zenuwstelsel ontlast worden. Ieder van ons maakt op zijn reis ‘door de aarde’ dingen mee die onveilig kunnen voelen en van ons zenuwstelsel een reactie vragen om ons weer veilig te kunnen voelen. Als de situatie dan weer veilig is, zou ons zenuwstelsel zich moeten ontladen, maar op de een of andere manier zijn we dat verleerd. Ons zenuwstelsel blijft in een staat van alertheid en reageert nog steeds alsof er iets aan de hand is. Dat veroorzaakt trauma. Trauma heeft dus niets te maken met wat we meemaken, maar met een zenuwstelsel dat vergeten is zichzelf te ontladen en dat daardoor blijft loeien alsof er nog gevaar dreigt. Daardoor kunnen we niet ontspannen en ‘hier’ zijn, raken gedissocieerd.

 

Trauma heeft niets te maken met wat we meemaken, maar met een zenuwstelsel dat vergeten is zichzelf te ontladen en dat daardoor blijft loeien alsof er nog gevaar dreigt.

 

Ook al zit je duizend uur op een meditatiekussen, ook al blijft iemand in je oor onafgebroken fluisteren dat je liefde bent, het zenuwstelsel krijg je daarmee niet ontlast. Wat je er wel mee doet, en dat is ook heel waardevol, is dat je rust en ruimte creëert. Het is een eerst stap op weg naar een heroriëntatie van je zenuwstelsel: ‘Kijk maar, het gevaar is geweken, je mag ontspannen.’

 

Je kunt aan iemands lichaamsreacties lezen welk deel van het zenuwstelsel vernauwd is. Als je geoefend bent, kun je iemand begeleiden het zenuwstelsel te ontladen, een compassievolle medereiziger zijn op weg naar het licht. Ontladen is iets anders dan ontspannen. Om te kunnen ontladen moet de beweging afgemaakt worden die in de onveilige situatie onmogelijk was. Als iemand niet heeft gereageerd zoals hij had willen reageren op het moment van onveiligheid, dan heeft dat consequenties: het lichaam blijft in een stand van afwachting, van vluchten, vechten of bevriezen, of zelfs in een toestand van bezwijken. En in het uiterste geval ontstaat er immobiliteit: op geen enkele manier meer in beweging kunnen komen. Als iemand uit zo’n situatie begeleid wordt, gaat het lichaam weer leven. Wordt het onnodige alarmsysteem afgezet. Verdwijnt ijlheid, wordt het lichaam zwaar, vlezig. Het bloed gaat razen en voeden. Er komen tintelingen over het hele lijf. Het is alsof de zintuigen een nieuwe besturingssysteem hebben gekregen en alles intenser is geworden. Er is een nieuwe dimensie bijgekomen, verbonden vanuit het aardse, lijfelijk. Dan raak je werkelijk in het hier en nu. Die ervaring is meer dan aanwezig zijn. Je bent aanwezig vanuit een diep doorvoelde veiligheid. En vanuit het besef dat je hier mag zijn. In zo’n omgeving baadt het licht onbeschaamd.

 

Ik kan het knipperende neonlicht van het eettentje plots stilzetten, het was geen naam maar een simpele aansporing: Welcome. In helblauw. Dankbaar dat ik dat nu kan lezen.

 

 

Deel dit artikel: