We zijn voortdurend ingeweven in relaties met anderen. Door de ander te erkennen in zijn mens-zijn en hem te beminnen, ontwikkelen we liefde. Die liefde is niet alleen voorbehouden aan liefdesrelaties, maar kunnen we op alle situaties toepassen - privé en zakelijk. Want pas als een relatie liefdevol is, raken we gericht op het goede en krijgt ons leven zin.

Erkennen en beminnen

Door: André Platteel

 

Van Gogh had tien jaar van zijn leven willen geven als hij veertien dagen lang ongestoord voor het schilderij had mogen zitten, een korst droog brood als voedsel had in die weken genoeg geweest, zo schrijft hij aan zijn geliefde broer. Ik had Het Joodse Bruidje al een keer gezien, maar wilde nog eens kijken. In mijn hoofd legt een man een hand op de hartstreek van een vrouw. Maar als je voor het schilderij staat gebeurt er zoveel meer. Rembrandt heeft gespateld: het verf ligt er duimdik op. De gouden mantel van de man, de bloedrode japon van de vrouw, ik kan de verleiding haast niet weerstaan de stoffen door mijn vingers te laten knisperen. Maar daarmee zou ik verstoren wat er tussen de geliefden aan de gang is. De man legt zijn hand niet op de hartstreek, maar op haar linkerborst. Zij raakt die hand met de hare teder aan, een teken dat hij daar mag zijn. Ze kijken elkaar niet aan, zij kijkt schuin naar beneden, heeft rode wangen. Het lijkt alsof de aanraking in dit moment gebeurt. Rembrandt heeft de nagels niet geschilderd, waardoor er een suggestie van beweging ontstaat. Zo maak je het tijdloos. Iedereen die dit schilderij de afgelopen eeuwen heeft gezien, was getuige van de oneindig durende intimiteit tussen twee geliefden.

 

Als we zouden beseffen dat we met elkaar verbonden zijn, dan keert de liefde vanzelf terug.

 

Individualisme bestaat niet – liefde wel

Ik moest weer denken aan dit schilderij omdat het op de voorkant staat van een essay van filosoof en theoloog Paul van Tongeren met als titel: Mens-zijn doe je niet alleen. Het essay heeft in tekst niet meer dan vijftien pagina’s, maar het klapt met dat schamele aantal toch het hele idee van wie je bent, open. Van Tongeren vertelt dat individualisme een recente, moderne uitvinding is. Pas in de zeventiende eeuw, met de filosofische ideeën van Descartes als startschot, ontstaat de gedachte dat we autonomie kunnen verwerven door onszelf los van anderen te denken. Volgens Van Tongeren betalen we voor die gedachte een prijs: eenzaamheid en leven in mentale abstracties, waardoor we onze onlosmakelijke verbondenheid niet meer kunnen ervaren. Dat zie je volgens hem terug in de relaties die we aangaan: die zijn vooral functioneel geworden, gericht op eigen gewin. De liefde is eruit gesijpeld.

 

Als we zouden beseffen dat we met elkaar verbonden zijn, dan keert de liefde vanzelf terug, is Van Tongerens aanname. De filosoof grijpt terug op Augustinus (filosoof en theoloog die in de vierde eeuw na Christus leefde) om aan te tonen dat het denken ons geen autonomie kan bezorgen. Als je denkt de waarheid bij de kop vast te hebben om een beslissing te kunnen nemen, zo filosofeert Augustinus, komt er altijd weer een gedachte op dat je het net zo goed anders kunt doen. Het denken zelf loopt stuk in het maken van een eindbeslissing. Om tot een beslissing te kunnen komen is het dan uiteindelijk toch gewoon doen en vertrouwen dat het het goede is. Ofwel: God zegene de greep.

 

Gods greep, dat is een liefdevolle relatie aangaan, althans zo lees ik Augustinus. Hoe almachtig God ook is, zelfs hij staat niet alleen. Hij vertegenwoordigt immers de Heilige Drie-eenheid: Vader, zoon en Heilige Geest. Het goddelijke is altijd in relatie. De Heilige Geest staat bij Augustinus voor de liefde die de relatie tussen vader en zoon mogelijk maakt.

 

 

 

Noem me bij jouw naam

Ik vat vader, zoon en geest metaforisch op. Vader en zoon kunnen natuurlijk ook moeder en dochter zijn. Of geliefden zoals in Rembrandts Het Joodse Bruidje. Toch moet ik heel letterlijk denken aan ‘vader, zoon en liefde’. Ik moet denken aan een van de mooiste film-scenes die ik ooit heb gezien.

 

In Call me by your name (2018, Luca Guadagnino, gebaseerd op de gelijknamige roman van André Aciman) verblijft een professor samen met zijn vrouw en zeventienjarige zoon Elio in een prachtig zomerhuis in Noord-Italië. Oliver, een Amerikaanse student van eind twintig komt op bezoek om er zijn proefschrift te schrijven. Elio gaat met meisjes uit. En ook Oliver versiert dames tijdens feestjes. Maar toch broeit er iets tussen hen. Als een speelse hond springt Elio tegen Oliver op. Hij kan zijn lust voor hem niet verbergen. De twee trekken er steeds vaker samen op uit. Ze kunnen de passie die henzelf als donderslag bij heldere hemel overvalt, niet negeren. Ze vrijen met elkaar. Verkennend, teder, speels, en diep verbonden. Als Oliver weer terug naar Amerika gaat, ervaart Elio voor het eerst de pijn van het verlies van een grote liefde. De ouders van Elio zijn niet gek, ze weten wat hun zoon is overkomen. En dan komt die gruwelijk wonderschone scene van iets meer dan vier minuten.

 

We rukken zoveel uit onszelf om ergens sneller van te genezen dan goed voor ons is, dat we op ons dertigste bankroet zijn, en telkens als we met een nieuw iemand beginnen minder te bieden hebben.

 

Elio gaat bij zijn vader op de bank zitten. Hij heeft net afscheid genomen van Oliver. Zijn vader steekt eerst een sigaret op, neemt de tijd: ‘Jullie hadden een prachtige vriendschap. Misschien wel meer dan een vriendschap.’ En dan na een trekje van zijn sigaret: ‘De meeste ouders zouden nu hopen dat het allemaal overgaat, bidden dat hun zoon weer snel met beide voeten op de grond komt. Maar ik ben niet zo’n ouder. Als je pijn voelt, koester die dan, als er een vlam is, doof hem niet, ga er niet harteloos mee om. We rukken zoveel uit onszelf om ergens sneller van te genezen dan goed voor ons is, dat we op ons dertigste bankroet zijn, en telkens als we met een nieuw iemand beginnen minder te bieden hebben.’ Even later: ‘Weet dat ik hier voor je ben.’ En dan: ‘Op dit moment is er verdriet. Ik benijd niet de pijn. Maar ik benijd jou om de pijn.’

 

Nergens gaat de vader door de intimiteit van zijn zoon heen. Nergens is er het gevoel dat Elio ontmaskerd wordt. Er is ruimte, geduld, tederheid. Er is beschikbaarheid: ‘Weet dat ik hier voor je ben.’ En een prachtige kwetsbaarheid: Elio’s vader doet een bekentenis waarin hij aangeeft ooit ook in zo’n situatie beland te zijn geweest maar niet het lef had daarop in te gaan.

 

Er is een vader en een zoon. En er is godsgruwelijk veel liefde.

 

 

Beminnen

Waar liefde volgens mij over gaat is het erkennen van ons mens-zijn. En dat we daarin bemind worden, met alles wat we met ons meedragen. Die liefde is niet voorbehouden aan een liefdesrelatie. Liefde kan onderdeel zijn van alles wat we doen, en doorsijpelen in alle relaties die we hebben – zakelijk of privé. De illusie dat we als individu gescheiden zijn van de ander, reduceert relaties tot functionele netwerken, zelfs de relatie met onszelf. Je kunt vanuit individualisme zomaar bedenken dat jijzelf een voortdurend verbeterproject bent. Dan ontstaat de gedachte dat je pas lief mag hebben als je jouw pijn eerst zelf hebt opgelost, dat je het pas waard bent met anderen een relatie aan te gaan als je heel bent. Die gedachte duwt anderen weg, sluit ons op in onszelf. Dat maakt ons zo eenzaam, depressief. Soms zelfs paranoia en verangstigd. We durven geen relaties meer aan te gaan, bang om ontmaskerd te worden – dat de ander onze onheelheid zou zien en ons daarom zou afwijzen. Ik ken dat zelf zo goed. Maar wat we tekort komen, ontstaat niet door onze pijn, door onze onmacht, frustraties en woede. Ons tekort heeft ook geen verleden. We doen onszelf tekort door relaties in het heden uit de weg te gaan, door de ander van ons weg te houden.

 

We kunnen onszelf bevrijden en ontwikkelen juist in relatie met de ander. Door liefde worden we autonoom. Elio’s vader zegt ergens tegen zijn zoon: ‘Hoe jij je leven leidt, dat maak je zelf uit.’ Hij benadrukt zijn autonomie. ‘Maar weet dat het lichaam en je hart je maar een keer geven is.’ Het hart en lijf is ons gegeven. Ofwel, we waren al in relatie nog voordat we zelf ons hart en ons lijf in liefde mogen delen.

 

Omdat we onze autonomie van de ander ontvangen, ontstaat er een vanzelfsprekende verantwoordelijkheid ten opzichte van die ander: Ik ben hier ook voor jou. In die houding ontstaat als vanzelf het goede. Door de ander te erkennen en te beminnen ontwikkelen we een relatie. En de liefde die we daarin inleggen, die geeft ons leven zin.

 

Deel dit artikel: