Schermafbeelding 2015-04-30 om 12.00.56

You are not simply here; there is just This.

Zonder een hart, lever of longen kunnen we niet leven. Maar zonder de aarde, de zon, de bomen, en de liefde ook niet. Dat zijn net zo goed ‘onze’ organen. Wie we zijn stopt niet bij de grenzen van onze huid, ‘we‘ zijn zoveel groter – met alles en iedereen verbonden in éénheid.

Alles is.

 

Door: Andre Platteel  Foto: Scheltens & Abbenes

Schermafbeelding 2015-04-30 om 12.00.56

 

Het was in Roemenië, op een avond, op het dak van een vakantiehuisje, samen met mijn moeder. Ik was een jaar of zeven. De hemel was helder, geen vervuilend licht: de sterren leek ik te kunnen plukken als rijpe bessen. We stonden, keken, en plots leek het alsof ik het heelal inademde, in mijn hele lijf voelde, als een lichtpunt zelf onderdeel werd van die mysterieuze constellatie daarbuiten. Mijn moeder drukte me tegen zich aan. ‘Doe een van je ogen eens dicht’, gaf ze als opdracht, ‘en houd voor het andere je duim.’ Ze corrigeerde: ‘Zo, een centimeter of tien voor je open-oog,’ en duwde mijn hand nog iets verder van me af. Het immense heelal verdween achter een paar centimeter duim. ‘Zie je hoe groot je bent, als alles daarbuiten, dat zo gigantisch lijkt, niet groter is dan je duim.’

Ik werd weer rustig.

Het is zo verleidelijk te denken dat wie we zijn, verschilt van anderen en de wereld. De wereld lijkt vaak zo groot, wij zo nietig, en dat voelt soms zo angstig, dat we de wereld voortdurend van betekenis willen voorzien. Begrijpen, kunnen verklaren, proberen aan de rand ervan te staan en erover te oordelen. Dat geeft een gevoel van overzicht, controle. En macht.

Een duim tussen jou en dat daarbuiten.

Wat we daarmee doen is opdelen. Er ontstaat een ‘ik’ en een ‘waarneming’: anderen en de wereld.

Toen mijn neefje een jaar of vier was, moest mijn broer met zijn vrouw op school komen: mijn neefje kwam niet voor zichzelf op, deelde zijn speelgoed met andere kinderen, en dat was volgens de juf niet goed. Hij moest voor zichzelf opkomen, leren zeggen ‘dit is van mij’, anders zou hij in de wereld nooit weerbaar kunnen zijn. ‘Ik’ werd daarna zijn meest gebruikte woordje. Gelijktijdig met ‘ik’ werd hij nerveuzer en agressiever: hij moest zijn bezit verdedigen, en anderen waren niet langer speelkameraadjes, maar mogelijke jatters van zijn dinki toy’s. Met ‘ik’, kwam ook onveiligheid.

En daarmee gebeurt precies het omgekeerde van wat we zo graag willen: onszelf los zien van anderen en de wereld geeft geen veiligheid, levert juist angst en agressie op. En allemaal vanuit dat ‘ik’.

Maar wat is dat dan ‘ik’: wie ben ‘jij’?

Dat is een vraag die me al lange tijd bezighoudt.

Wat ik zeker weet is dat ik leef. Nu.

En dat dit moment nooit meer terugkomt. Dat ieder moment anders is, nieuw. Dat is een bizar gegeven toch? Zelfs als je een foto neemt, kun je een moment niet vastleggen, want naar een foto kijken geeft een totaal andere ervaring, dan wanneer je er zelf bij was, in dat moment toen geklikt werd. Ieder moment levert daardoor een andere ervaring op. En daarin veranderen wij mee. Want we kunnen ons niet lostrekken van de wereld, van onze verbinding met anderen. Toch hebben we die verandering in onszelf niet vaak door. Uit een gevoel van veiligheid zwemmen we als een trotse zalm tegen de veranderlijkheid in, proberen we zo consistent mogelijk te reageren met vastomlijnde gedachten en gevoelens, die daardoor niets meer zeggen over wat zich voor ons neus in het moment ontvouwt.

Ikzelf heb bijvoorbeeld de neiging situaties meteen in te schatten op dreiging, leg een vergrootglas op mogelijke gevaren, die er vaak helemaal niet zijn, zie schimmige beren, en wat er wel is, gaat aan me voorbij.

Als ik niet alert ben, is dat overlevingsmechanisme – ontstaan uit eerder ervaren onveiligheid van waaruit ik weg wilde vluchten – voortdurend een filter tussen mij en wat werkelijk is. En worden mijn gedachten en emoties oordelen en veroordelingen.

Ik heb een behoorlijk verzameling van die patronen, die de schijn van een identiteit wekken, omdat ze een repeterend karakter hebben, en me dus zogenaamd toebehoren. Maar in werkelijkheid vormen ze mijn onderdrukte pijn, woede en frustratie, maken ze tezamen mijn onechte zelf, dat zich afgescheiden van de wereld voelt.

Als je verstilt, ontstaat zelfinzicht, kun je waarnemen dat je gedachten en emoties strak afgestelde mitrailleurs zijn, dat ze bestaan uit oude overlevingsmechanismen, die niets met nu te maken hebben. Je gaat helderder zien dat het nu helemaal niet onveilig is. Dat er geen schijnwerper op je staat om je op te jagen, dat anderen niet voortdurend over je oordelen, dat je niet hoeft weg te duiken voor een verzameling sterren en planeten. Dat je niet langer aan de rand van de wereld hoeft te staan, zo oordelend tegen de afgerond aan, om te overleven, maar dat je naar binnen mag trekken, mag spelen.

De mitrailleurs verstommen. De duim voor je oog is weg: je kijkt recht de wereld in. Splinters als balken uit onze ogen trekken, zo was het toch, in Matteüs? Het voortdurend oordelen en veroordelen kan eindelijk stoppen.

De grond waarop je staat, kun je nu stevig onder je voeten voelen. Het gekwetter van vogels, valt als de perfecte symfonie bij je binnen. De zonnestraal op je gezicht is als de aanraking van een geliefde. Je voelt je gedragen door de tederheid van anderen, ook in hun onmachtig zijn. Je ruikt de lente in de lucht, ook al is het winter. Alles verstilt, wordt zoals het werkelijk is. Ontluikt.

Je staat niet meer in overlevingsstand, er is letterlijk ruimte.

En vanuit die ruimte neem je oordeel-loos waar: eventuele gevoelens en gedachten die in je opkomen, maar ook de zon, andere mensen, een huis of een boom aan de overkant, een geur, of een geluid.

Al dat Is, wordt waargenomen en komt als ervaring in ‘jou’ op. Wie je bent is ‘ervaren’.

Het onechte zelf, dat wat je ‘ik’ noemde, sterft. Zodat je weer opnieuw tot leven kunt komen. Daarin valt niets meer te verdedigen, niets meer te overwinnen, niets meer te controleren. Je bent niet langer ‘een armzalige reiziger op deze donkere aarde’, maar rijk, in complete overgave aan het licht. Het onderscheidt tussen ‘ik’ en ‘de wereld’ verdwijnt: de wereld is jij. Er Is éénheid.

Je bent heel-al.

 

Deel dit artikel: