mooi

Ik ging voor het eerst samen met mijn vader uit eten. Hij halverwege de zeventig, ik dertig jaar jonger dan hij. Ik reserveerde een tafel in een restaurant waar we als familie soms kwamen – het moet allemaal niet te nieuw voor hem zijn. Hij is een uur te vroeg, belt me op mijn mobiel: Waar zit je dan? Als ik hem bij zijn parkeerplek langs de gracht ophaal, zegt hij tussen het roken door dat je het nooit weet met het verkeer, dat het van Leiden naar Amsterdam soms best tegen kan zitten. Wat vind je van mijn nieuwe auto? schakelt hij snel door. Het is een Aziatisch misbaksel in een ongedefinieerde kleur, het metaal zo dun als papier, en het autootje is zo klein dat hij als origami om hem gevouwen moet zitten. Mijn broer had er al over verteld: Pa was een paar weken eerder met zijn zwarte sportauto stil komen te staan midden op de 5Meilaan, vlakbij zijn huis in Leiden. Hij was totaal in paniek geraakt, werd door de politie naar de kant gesleept en uiteindelijk ging zijn auto een truck op: de schakelbak was versleten. Hij kreeg een vervangende auto waar hij een dag later een ongelukje mee kreeg: zijn voorkant deukte in, en daar bleek hij niet voor verzekerd te zijn. Hij vloekte de hele garage bij elkaar en kocht uiteindelijk de vervangende auto door zijn kapotte auto ervoor in te ruilen met een schaamteloos hoog bedrag als bijbetaling.

Tekst: André Platteel

 

De eigenaar van het restaurant herkent mijn vader nog, geeft hem een hand en de mooiste tafel, een ronde voor het raam met uitzicht op het Spui. Er is verder niemand in de zaak, het is net over vijven. Ik neem wat jij neemt, zegt hij, bestel jij maar. Dun gesneden biefstuk, met rucola en parmezaan. Ik weet precies wat hij gaat zeggen als hij zijn eerste hap neemt: Bijna net zo lekker als in Italië. Daar gingen we ieder jaar met ons gezin naar toe om vakantie te vieren, toen we nog compleet waren. Je moeder vond dit ook zo lekker, zegt hij al kauwend, het malse vlees zie ik rondgaan in zijn mond. Heb je nooit een andere vrouw gewild? vraag ik, en hij kijkt me aan met een vernietigende blik. Ik had een moordvrouw. Daar kan nooit iemand aan tippen.

 

Mijn moeder stierf toen mijn vader mijn leeftijd had. Hij adoreerde haar. Eenmaal dood kreeg ze een nog hogere status. Ik denk nog iedere dag aan haar, zegt hij, terwijl zijn ogen glazig worden. Gek he, zo lang geleden, ik zie haar nog steeds voor me.

 

Mijn vader begint over mijn moeder te vertellen, verhalen die ik nog niet ken. Ze komt nog meer tot leven. Ze zit eigenlijk gewoon aan tafel. Ze leeft gewoon door.

 

Mijn moeder was inderdaad een moordwijf. Ik was net als mijn vader zo gek op haar, dat ik tijdens de schoolpauzes terug naar huis fietste om even bij haar te kunnen zitten. En dan weer snel terug om niet te laat te komen voor de volgende les. Maar veel vaker liet mijn moeder me thuisblijven, zei ze dat ze wel een briefje voor de corrector zou schrijven, dat ik niet lekker was of zo. En dan zette ze thee, lazen we samen een boek op de bank. En dan was het veilig en fijn. Dat ik zo geen vrienden kon maken op school gaf niets.

 

Mijn vader begint over mijn moeder te vertellen, verhalen die ik nog niet ken. Ze komt nog meer tot leven. Ze zit eigenlijk gewoon aan tafel. Ze leeft gewoon door. Dat vertedert me, maar irriteert me ook. Mijn vader heeft door zijn liefde voor haar nooit verder kunnen leven, is stil blijven staan. Alles in zijn leven doet nog aan haar denken, draait nog om haar. En ikzelf raakte na haar dood zo in paniek, dat ik op zoek ging naar vriendinnetjes die iets van haar weg hadden. Die relaties, zo besef ik sinds kort, mondde uit in afhankelijke relaties, waarin ik op zoek ging naar dezelfde veiligheid als die ik bij mijn moeder had ervaren. Ik bleef in die relaties een klein jochie, kon daardoor mijn eigen autonomie niet ontwikkelen. Ik werd angstig, durfde nauwelijks alleen de wereld in te stappen, verloor zicht op mijn eigen verlangens en kon mijn partner niet meer zien voor wie zij was, omdat ik het gemis dat ik na mijn moeders dood voelde, op haar projecteerde.

 

 

Ja, mijn moeder was liefdevol, maar misschien was ze wel zo verslaafd aan liefde, dat ze vergat mijn vader en mij in onze autonomie te bekrachtigen. Dat is misschien altijd wel een spanningsveld: hoe kun je je autonomie bewaren in de liefde? Of misschien is het geen spanningsveld maar een vereiste: dat je de krachten van je eigen autonomie moet kennen en vieren, om te kunnen liefhebben.

 

Mijn vaders verhalen over mijn moeder zijn op, hij wordt onrustig. Hij wil naar huis. Ik bestel nog een tiramisu. We snoepen er samen van. Ze is dood pa, zeg ik. Ik weet niet of hij me hoort: ze is een blijft een moordwijf, zeg hij, en met zijn vinger veegt hij de laatste resten cacao van het bord, zijn mond in.

 

Terug bij zijn autootje, opent hij de achterklep. Hier, zegt hij, en hij haalt er een pak karbonaden uit. Ben eerst even langs de slager gereden waar ik met je moeder vaak kwam, schouderkarbonade, was je moeder gek op. Ik durf het eigenlijk niet, maar zeg het toch: Ik houd niet van schouderkarbonade pa, ben er nooit gek op geweest. Ik omhels hem, zijn armen blijven slap langs zijn lijf hangen, met in zijn ene hand het pak vlees.

Als ik terug naar huis loop, en hij even later langs rijdt, toetert hij en steekt zijn duim omhoog.

Deel dit artikel: